| Previous
Columns Van zingen word je vrolijk Jazz wordt gezongen Jazz, een enge zaak What's happening? Een Jazzzender? Jazzzenders? ‘Lucht B3' spelen Is er nog publiek? Niet weer aub Jazz=London Symphony Orchestra. Ha, ha. Kommer en kwel Hammond Populair!? It Just Fade Away Waarom stond ik niet met een afwaskwast voor de spiegel? Kan je nog geschokt worden? Take Six Hoe kunnen (jazz)muzikanten bestaan? Gezellig Orgelen in Hoogland Imago Rook, meer rook! Jazz in Nederland: De situatie is hopeloos Het belazeren van de kluit Jazz als laatste redmiddel Ouderwetse Avant Garde En nou even serieus Een behangetje uitkiezen met St. Germain Oh Brother will I miss you The second word is off Gatver Kleine ergernissen Weer geen miljonair Halverwege april..... Ze doen het nog een keer Ze doen het weer Vraag: Hoe verdien je poen met een cd? Robbery! Dutch Jazz Critics Interview with Herbert Noord First published 19.05.2004 De nieuwste ster aan het gezongen jazz firmament is..... Gerard Joling. Ja nu valt er een stilte. Het wordt ons even te machtig. Dit hadden wij niet verwacht. Oké, Lee Towers en Imca Marina gingen onze Gerard voor, dus we waren al een beetje voorbereid maar dat neemt niet weg, dat deze mededeling toch noch het effect van een goed geplaatste mokerslag heeft. Op de vraag: ‘Is er dan niets meer heilig?' is het definitieve antwoord gegeven: ‘Neen!' Het wachten is nu nog op: ‘André Rieu plays Duke Ellington'. Nee echt, het verkwanselen heeft ongekende vormen aangenomen. Neem het programma van het komende NSJF ter hand en je snapt wat ik bedoel. Van elke pagina grijnzen de zangers en zangeressen je tegemoet. Heel veel jazz valt er natuurlijk te verwachten van Elvis Costello, mensen met de naam Elvis getooid zouden so wie so niets met jazz van doen mogen hebben, die zijn te gepredestineerd, maar ook een keur aan andere namen brengt hooggespannen verwachtingen teweeg. Vluchtig tellen leverde 81 groepen op die zijn voorzien van zanger of zangeres op een totaal van rond de 200 groepen. Meer dan éénderde kan het niet zonder een vocale uitspatting bolwerken. Treurig is dan ook nog, dat er praktisch geen zanger of zangeres van klasse bij zit. De nieuwe Ella, Dakota, Sarah, Mahalia, Oscar, Anita, Arthur of Aretha heeft zich nog niet aangemeld en vermoedelijk gaat dat ook niet meer gebeuren. Over en uit. Koester uw LP en CD verzameling want beter gaat het niet worden. Ook niet te stuiten is de opmars van de platenverneukers bij uitstek, de dj's. Bij een verontrustende hoeveelheid groepen is zo'n draaitafelclown aanwezig om de aanwezige gehoorgestoorden eens fijn te tracteren op wat muzikale ellende. De pianist Michiel B. gaat zelfs de strijd aan met dj Maestro. Het muzikale equivalent van ‘drie sterren kok meets hamburgerking'. Ja ik weet het, de echt grote namen zijn of dood of hebben geen zin meer, maar dat laat onverlet, dat er heus wel wat meer te vinden is, dat de noemer ‘jazz' niet al te zeer geweld aandoet. Helaas is van dat soort musici de commerciële waarde te gering om een toch in de eerste plaats commercieel festival van voldoende inkomsten te voorzien. Daar ben ik mij maar al te zeer van bewust. Toch neemt het niet weg, dat de knieval voor de abominabele smaak van het in grote getale toestromende publiek wel erg diep is. Een vaag gevoel, dat grondvester en inspirator Paul Acket de grond van zijn laatste rustplaats flink aan het omwoelen is, kan ik dan ook niet onderdrukken. Herbert First published 23.04.2004 Plotseling werd het mij helemaal duidelijk. Een echte "Aha Erlebnis", jazz wordt in de hedendaagse visie gezongen. Altijd heb ik in de veronderstelling geleefd dat jazz voor minimaal 98% een instrumentale muziek was. Er waren natuurlijk altijd wel een paar zangeressen, zelfs van buitengewone signatuur, maar die gebruikten hun stem ook voor een groot deel als instrument. Verder kwamen ze alleen opdraven bij big-bands en beslist niet als hoofdattractie. Zangers op een enkele uitzondering na, kwamen al helemaal niet in het verhaal voor. Van Jelly Roll Morton tot Cecil Taylor, van Louis Armstrong tot Miles Davis en van Coleman Hawkins tot Albert Ayler, allemaal instrumentale muziek. Beweren, dat ik de menselijke stem node mistte is zacht uitgedrukt. In mijn LP en later Cd collectie kwam je geen gekweel tegen of het moest Roland Kirk zijn, die er af en toe een zinnetje doorheen zong. Nou ja, Oscar Brown Junior en Lambert, Hendrix en Bavan staan er ook tussen maar dan hebben we het praktisch gehad. Wordt er echter nu aandacht aan jazz besteed dan is het bijna zonder uitzondering dat er een zangeres - de heren laten het godzijdank afweten - in het strijdperk treedt. De zangeressen vliegen je om de oren. In ons knollenland hebben we er momenteel al meer dan de hele Amerikaanse jazzgeschiedenis in zijn totaliteit heeft opgeleverd. Over de kwaliteit van het gebodene wil ik niet discussieren maar wel over het feit, dat deze invasie de instrumentale jazz inmiddels op het tweede plan heeft gebracht. Wat je ziet en hoort is zangeres met begeleiding. En het is op straffe van forse boetes blijkbaar verboden te swingen, want dat doen ze echt geen van allen. Toppunt vond ik laatst een jongedame die op de vraag of ze niet ging scatten zei: ‘Nee, ik doe het met de tekst. Improviseren, dat laat ik over aan de muzikanten'. De vraag die dan onmiddellijk bij mij opkomt is: Waarom presenteer je je dan in hemelsnaam als jazzzangeres? Ga toch een goed boek lezen of luisteren naar Sarah en Ella. Ook het als de jazzverrassing van 2004 aangekondigde fenomeen Jamie Cullum, kan het niet af zonder zijn stem te gebruiken. Als pianist blijkt hij goed naar Nat King Cole, Les Mc Cann en Ramsey Lewis te hebben geluisterd met een snuifje Cecil Taylor en een scheutje Peterson. Maar in ieder geval valt het instrumentale gedeelte nog te pruimen als je genoemde voorbeelden niet mocht kennen. Van een aankondiging als: "...hij heeft al 700.000 cd's verkocht" raak ik niet onder de indruk. Natuurlijk ben ik jaloers, zelfs voor 1 procentje zou ik al tekenen, maar als het getal de maatstaf voor kwaliteit gaat vormen haak ik gaarne af. Zelfde laken een pak bij Trijntje Oosterhuis. Drie maal platina en dat voor een jazz-cd, waanzinnig, zo wordt het verhaal gebracht. Excuseer, maar hoezo jazz? Nee, dan maar liever naar oom Hans op BNR luisteren, die weet in ieder geval nog duidelijk te maken, dat jazz geen zaak is van zangeressen met lang blond haar maar van kerels met een toeter in hun mond die maar een motto kennen: Gaan met die banaan. Herbert First published 13.04.2004 Zaterdagavond stapte ik in mijn auto om huiswaarts te keren en besloot de nieuwe zender Arrow 90.7 FM even uit te proberen. Volgens berichtjes in de krant moest op deze zender met zekere regelmaat Jazz en aanverwante muziek te beluisteren vallen. Nou dat viel niet mee. In het halve uurtje dat mijn autorit duurde, kwam ook maar niets langs wat in de verste verte leek op wat ik onder jazz versta. Verschillende zeurzangeressen en enige Zuid-Amerikaans geneuzel maar geen Jazz. Misschien had ik gewoon pech en moet ik het later nog maar eens proberen. Toen ik echter de volgende dag het glossy ‘Jazz' doorbladerde las ik onder het kopje ‘Arrow niet Narrow' het volgende: ‘Het is duidelijk dat Arrow 90.7 FM het niet in de Rita Reys-Pim Jacobs' verstofte jazzhoek zoekt. Daar is geen adverteerder meer bij te vinden. In Engeland zijn een tweetal zusterzenders op de markt. Onderzoek heeft uitgewezen dat als luisteraars mogen kiezen tussen zenders met dezelfde muziek maar met een andere naam, zoals Jazz FM of Smooth FM, de laatste vijf maal zoveel luisteraars trekt en waardering. Daarom noemen wij ons ook Arrow 90.7 FM en niet Arrow Jazz FM. Met het woord Jazz moet je blijkbaar oppassen.' Ja, dat moet je zeker en dan wordt ook meteen duidelijk waarom ik gedurende mijn halfuurtje luisteren geen Jazz voorgeschoteld kreeg. verstofte muziek gaat een commerciële zender natuurlijk niet uitzenden, die zullen daar gek zijn. Let wel, ik ben geen fan van Rita en Pim maar beiden hebben meer jazz in hun pink dan de hele meute aan terreurzangeressen en computerknutselaars die tegenwoordig de ether vervuilen. Treurig is het verder te moeten lezen hoe de muziek waarin je hart en ziel liggen verkwanseld wordt door een stelletje ongehoorde cultuurbarbaren die in liefst zo kort mogelijke tijd hun geïnvesteerde poen willen terugverdienen. In het artikel wordt ook nog gezegd: ‘De markt is er en met jazz kun je alle kanten op. Het wordt geen ‘narrow' radio. De belangstelling voor jazz is groot. In de album top 20 staan tegenwoordig zo'n zeven of acht jazz gerelateerde albums.' Gek is dat. Ik hoor heel wat muziek langskomen op de radio maar daar zit zelden een jazz gerelateerd album bij en echte onvervalste jazz al helemaal niet. Of zouden ze bij Arrow 90.7FM met ‘jazz gerelateerd' gedoe als St. Germain, Laura Fygi en Trijntje Oosterhuis bedoelen? In dat geval snap ik het wel, het moet niet op jazz lijken maar op lijkenpikkerij. Nee, geef mijn Arrow portie maar aan Fikkie het vuilnisbakje, dat alles vreet. Herbert First published 26.03.2004 Kort antwoord: Nothing, nada, niente kortom niets. Tuurlijk is de economische recessie deels verantwoordelijk. Evenals de veiligheid- en geluidshetze tegen podia. Reden, dat het aantal aanbieders van een plek om muziek ten gehore te brengen fors geminderd is. Ook slaat de vergrijzing in het organisatie circuit onbarmhartig toe. Veel clubs en podia worden en werden gerund door vrijwilligers die na een fors aantal tropenjaren de fakkel wel zouden willen overdragen aan een jongere generatie. Punt is alleen, dat die jongere generatie er in de meeste gevallen niets voor voelt om op dezelfde onbezoldigde voet door te gaan. Gevolg; minder podia. Verder valt er een forse verschraling van het muzikale aanbod te constateren. Weliswaar is er een groot aanbod van muzikanten, de muziekscholen en conservatoria zorgen heus wel voor een constante toestroom, maar het is steeds meer van hetzelfde. Techniek en leesvaardigheid dik in orde, muzikale vindingrijkheid minder. De vraag blijft natuurlijk hoe dit laatste te ontwikkelen als de mogelijkheden tot optreden met het jaar afnemen en de concurrentie letterlijk uit de hele wereld komt. Een ander probleem vormt het kweken van een voldoende groot publiek. Hoe krijg je mensen zo ver om naar jazz te gaan luisteren als ze geen weet hebben van het bestaan van deze muzieksoort? De jeugd komt niet tot sporadisch in contact met jazz en dan schaar ik een heleboel muziek onder deze noemer die puristen direct in de hoogste boom doen klimmen. Op de radio is er overdag al helemaal geen spoor van te bekennen en ‘s avonds slechts mondjesmaat. De zender Nederland 3 onderneemt onder de noemer NPS Jazz pogingen maar als echte jazzliefhebber krommen je tenen als je ziet wat daar allemaal wordt uitgezonden. Hoe bedoelt u jazz? Ik stel vast, dat de jazz zoals de liefhebber die kent, de jazz van Armstrong tot Coltrane, van Ellington tot Mingus verdwijnt of eigenlijk grotendeels al verdwenen is. De nalatenschap wordt door de commerciële erfgenamen ( = platenmaatschappijen) verkwanseld aan dj's en ander onguur volk, die met satanisch genoegen de buit tot op het bot fileren. Om een klein beetje tegengas te geven, de vergelijking Don Quichotte tegen de windmolens dient zich onherroepelijk aan, heeft Advanced Warning een paar live opnamen uit het niet al te verre verleden op cd uitgebracht. Proef de sfeer, beluister de muziek en weet dat deze tijden nooit weerom komen. Het zal alleen nog maar minder worden door meer van hetzelfde. Herbert First published 22.10.2003 Het zou een mooi woord in een quiz of kruiswoordraadsel kunnen zijn, jazzzender. Noemt u eens een woord met drie ‘z'etten. Van diverse kanten worden er driftige pogingen ondernomen om een commerciële jazzzender in het leven te roepen. Er schijnt nog een zenderkavel te vergeven te zijn en dat moet of een klassieke of een jazzzender worden. Diverse partijen zijn bij de wedstrijd betrokken en eind december moet het oordeel geveld zijn. De uitslag zal mij benieuwen maar ik gok op een klassieke zender. Investeerders zullen eerder geneigd zijn het zekere voor het onzekere te kiezen plus dat de markt voor klassiek die voor jazz aanzienlijk overstijgt. Want laten we de boel niet mooier maken dan het is, van het eertijds toch ook al niet echt bloeiende jazzleven is nog maar zeer weinig over. Trompettist Jarmo Hoogendijk, al een kleine twintig jaar actief in het Nederlandse jazzleven bracht het in een interview in Het Parool zo onder woorden: ‘Voor ons is het een heel rare tijd, subsiedies worden overal ingetrokken, de cd-verkoop is internationaal ingestort, mensen hebben door de euro geen geld meer om uit te gaan. Als saxofonist Ben van der Dungen en ik vroeger een nieuwe cd uitbrachten, hoorde daar automatisch een tournee van respectabele omvang bij. Vroeger speelde je met gemak zestig keer. Dat is echt voorbij. Met saxofonist Yuri Honig heb ik laatst eens op een rijtje gezet in hoeveel jazzclubs in Nederland je normaal betaald kunt spelen. Dat zijn er maar acht à tien!' Als je dat vergelijkt met de tientallen concertzalen in ons land waar klassieke en aanverwante muziek ten gehore wordt gebracht dan is het plaatje snel getekend. Jazz neemt in het Nederlandse muzikale landschap een uiterst bescheiden plaats in. Natuurlijk zijn er aan conservatoria en muziekscholen jazzopleidingen verbonden maar de daaraan afgestudeerden verdwijnen meestal noodgedwongen in de praktijk van het lesgeven. Een brood op de plank brengende concertpraktijk is voor de beoefenaar van pure jazz niet tot nauwelijks weggelegd. Ook het aantal echte liefhebbers, de jazz die-hards, is zeer beperkt. Het eerste North Sea Jazzfestival bracht nog geen 9.000 belangstellenden op de been. De in de loop der jaren flink toegenomen belangstelling valt waarschijnlijk volledig op het conto van nauwelijks jazz gerelateerde attracties te schrijven. Voor een commerciële jazzzender laat dit soort achtergrond weinig levensruimte over. Het zal geen moeite kosten een zender 24 uur per etmaal jazz uit te laten zenden, het zal beduidend meer moeite kosten een commercieel aantrekkelijk aantal luisteraars aan een dergelijke zender te binden. Daarbij komt nog, dat op klassieke muziek aanzienlijk minder rechten berusten dan op contemporaine jazz en per 24 uur zal dat beslist gaan meespelen. Deze overwegingen laten twee opties over of er wordt een aanzienlijke hoeveelheid commercieel water bij de jazzwijn gedaan of een liefhebber met een aanzienlijke hoeveelheid geldboompjes in zijn achtertuin dient zich aan. Volgende keer meer. Herbert First published 17.09.2003 Tijdens de laatste etherverdeling of hoe handel in gebakken lucht toch lucratief kan zijn, bleef er een kavel over. Op dit kavel zou een jazz- of klassieke zender mogen gaan uitzenden. Prima idee, alleen met de kanttekening, dat het hier wel om een commerciële zender handelt. Dat maakt het idee al minder prima. Want laten we wel wezen, de inkomsten voor een dergelijke zender zullen uit de reclame moeten komen dus uit het bedrijfsleven. Veel kan het bedrijfsleven aangewreven worden maar beslist niet een progressieve muziekkeuze, als er al over muziek nagedacht wordt in die kringen. De programmering van door het bedrijfsleven gesponsorde concerten in bijvoorbeeld het Concertgebouw kan hier als indicatie dienen. John de Mol en North Sea Jazz hebben zich inmiddels aangemeld om dit kavel te kopen maar er is ook vanuit klassieke kringen een optie gemeld. Bijna gelijk met de berichtgeving over de toekomstige radiozender bereikte mij het bericht dat het roemruchte Tros programma ‘Sesjun' per komend nieuwjaar stopt met het uitzenden van live concerten. Ik liet deze twee berichten even op elkaar inwerken. Een van de laatste Hilversumse bastions waar Nederlandse jazzmusici nog live te horen waren is geslecht na dertig jaar uitzenden. Dick en Cees mijn welgemeende condoleances. Bepaald geen insider zijnde in het Hilversumse en mij verre houdende van koe-handeltjes kon ik mij toch niet aan de samenstelling van een plaatje onttrekken. Zo stel ik mij voor dat in een daartoe geëigend Hilversums etablissement enige lieden in krijtstreeppak bij elkaar komen. ‘Wij hoorden dat jullie een jazzzender willen beginnen?' ‘Dat klopt. Voor een relatief prikje kunnen wij een kavel bemachtigen waarop alleen jazz en/of klassiek mag worden uitgezonden'. ‘Weten jullie dan iets van jazz?' ‘Nee, maar daarom gaan wij samenwerken met MoJo, die ook North Sea organiseren'. ‘Verstandige zet'. ‘Maar dan willen wij wel dat er geen jazzprogramma's meer worden uitgezonden via de publieke omroep'. ‘Worden die dan nog uitgezonden? Die muziek is toch al lang uit de ether verdwenen'. ‘Nog niet helemaal, want de Tros zendt nog een programma uit met live jazz'. ‘Daar zijn jullie niet gelukkig mee?' ‘Nee, dat zou moeten ophouden want wij willen het echt helemaal exclusief. Tegenover de grote recordjongens is dat ook beter, want die willen graag weten wat voor hooi er in de ruif zit. Alles in een hand, dat is de opzet'. ‘Zit wat in. Hoe kunnen wij jullie helpen?' ‘Dat programma gewoon opheffen. Past niet meer in de huidige tijd en vanwege de bezuinigingen natuurlijk, want zo'n live programma kost gewoon te veel'. ‘Nee, dat is helemaal duidelijk. Doen we. Hebben jullie verder de vrije hand'. ‘Zo horen wij dat graag. Het is goed zaken met jullie doen. Mogen wij jullie dan nu uitnodigen voor het diner. Wij hebben alvast de Champagne koud gezet'. ‘Ja, nu op naar de smakelijker zaken'. Jazz is op de Nederlandse radio, over de tv*) zal ik het maar niet eens hebben, altijd al een ondergeschoven kindje geweest. Te verwachten valt, dat het met de komst van een commerciële jazzzender er beslist niet beter op zal worden. Nog meer middle of the road music nog minder spannend werk. Wie het echte werk nog wil horen is aangewezen op programma's in de periferie van de zendgemachtigden zoals het programma van Hans Dulfer en een van de Beets broertjes op Business News Radio en ‘All That Jazz' van Rolf H. Polak op Rick FM. Nee, de mededeling dat er wellicht binnenkort een heuse jazzzender in de ether komt heeft mij niet euforisch gemaakt. *) Op Nederland 3 lijkt het wel of er veel aandacht aan jazz besteed wordt maar wie de moeite neemt om de programmering even serieus te beschouwen komt al snel tot de ontdekking, dat er van ‘echte' jazz nauwelijks sprake is. Het puur Nederlandse aandeel is helemaal nihil. First published 18.06.2003 Het schijnt een hype te worden ‘lucht gitaar' spelen. Daarom op de voorpagina van de krant een foto van drie ‘lucht gitaar' spelers en een echte gitarist. Compleet met Nederlandse kampioenschappen en een wereldkampioenschap in Finland. Natuurlijk de komkommertijd is weer aangebroken maar om dit soort grappen nu op de voorpagina te zetten. Na de DJ zonder band krijgen we nu de musicus zonder instrument. Het cultuurbarbarisme neemt waarlijk grootse vormen aan. Het ultieme genot voor het luisterend volkje zal blijken te bestaan uit een ‘lucht gitaar' spelende DJ. Toch zie ik voor instrumentalisten een glorieuze toekomst weggelegd. Nooit meer te sjouwen met een onhandelbaar instrument. Geen last meer van onwillige geluidsinstallaties noch van ontstemde instrumenten. Je schuift gewoon een van je eigen cd's in de cd-speler en hup je gaat op de bühne een partijtje lucht viool/trompet/harp of whatever spelen. Lijkt mij een fantastisch gezicht een symfonie orkest met dames en heren in stemmig zwart gekleed die allerlei strijk-, blaas- en slagbewegingen naken. Natuurlijk met een dirigent op de bok, want het moet wel serieus blijven. Er is immers genoeg muziek voorhanden om de komende tweehonderd jaar door te komen. En aan verschillende uitvoeringen van hetzelfde stuk ook geen gebrek dus komt iedereen aan zijn trekken. Ik bedoel er zijn sinds de uitvinding van het playbacken eigenlijk allang lucht zangers en zangeressen en instrumentalisten geweest. Zo weet ik uit zeer goede bron, dat bekende Nederlandse groepen voor hun studio opnamen gebruik maakten en maken van goede muzikanten om hun eigen onvermogen te maskeren. Wat je hoort is niet altijd wat je krijgt. De gemiddelde luisteraar zal het verder worst wezen, want die is toch al gewend aan coryfeeën die optreden met een op de band vastgelegd orkestje. Trouwens wie zegt, dat de diegene die optreedt ook daadwerkelijk zingt? Het is voor de gemiddelde geluidstechnicus een koud kunstje om alles zo af te stellen, dat de zanger wel zingt maar dat je toch de studio opname hoort. Dan wordt er weliswaar niet ‘lucht gezongen' maar wel belazerd. Wie mij niet geloofd, die moet maar eens gaan kijken bij de mengtafels van de PA installatie. Wat zich daar aan cd- en cassettespelers bevindt geeft volop te denken. Nee, ik zie wel wat in ‘lucht B3' spelen. Gewoon een van mijn cd's in de speler en hup. Kan ik zonder sjouwen en zwoegen op de fiets naar een schnabbel en fris als een hoentje weer huiswaarts. Ja ik word steeds enthousiaster voor ‘lucht B3' spelen. Herbert First published 20.03.2003 Onlangs kreeg ik het van twee kanten te horen: Het publiek is niet meer geïnteresseerd in muziek. Ter verduidelijking, met publiek wordt bedoeld de mensen die in Nederland naar een concert, jazz-café of club gaan en met muziek uiteraard jazz en aanverwante zaken. Deze tanende publieke interesse is niet zo vreemd in een tijd dat de ‘scene' gedomineerd en geterroriseerd wordt door zestienjarigen met een blauw brilletje. Als dat het ijkpunt vormt, valt er op een verbetering niet meer te hopen. Deze tanende interesse is ook niet zo vreemd als je beseft dat de grote Jazz muzikanten - veelal charismatische publiekstrekkers - niet meer onder ons zijn. Plaatsvervangers hebben zich niet of nauwelijks aangemeld, laat staan gemanifesteerd. Degenen die nu dappere pogingen ondernemen om in deze tak van de muziek hun verhaal te vertellen moeten tegen een grandioos muzikaal verleden en dito erfenis opboksen. Een erfenis die op geluidsdragers is vastgelegd en op elk willekeurig tijdstip ten gehore kan worden gebracht. Kortom een karwei, dat niet te klaren is. Want laten we eerlijk wezen als je thuis de meest fantastische cd's en/of lp's in je collectie hebt, dan is de neiging om je op een koude winteravond naar een tochtig café te begeven om naar een zwakke afspiegeling van je helden te gaan luisteren, niet echt dwingend. Daarbij dient niet vergeten te worden, dat de interesse van het (Nederlandse) publiek voor deze muziek altijd al marginaal is geweest. Ter illustratie: De eerste editie van het North Sea Jazz Festival trok ook maar een schamele 9.000 bezoekers, ondanks de aanwezigheid van vele jazz-coryfeeën. Dat de huidige edities bijna het tienvoudige aan publiek noteren heeft dan ook minder te maken met een toegenomen belangstelling voor jazz dan met de verregaande verwatering van de programmering: Jazz is er nog nauwelijks te vinden. Een ander probleem vormt het feit, dat de termen swing, soul en jazz maar al te vaak worden misbruikt voor muziek en door artiesten die niets maar dan ook helemaal niets met deze termen uitstaande hebben. Potentiele geïnteresseerden in Jazz worden door dit misbruik volledig op het verkeerde been gezet en haken daardoor voortijdig af. De constatering dat er geen publiek meer is voor Jazz is dan ook een juiste, alleen dient er aan toegevoegd te worden, dat er na de zestiger jaren ook nooit meer een groot publiek voor geweest is. Herbert First published 24.01.2003 Zit ik de avond voor de verkiezingen naar Barend en van Dorp te kijken word ik opeens geconfronteerd met heiligschennis. Hoe ik dat bedoel? In de show van Barend en van Dorp is altijd een muzikaal intermezzo. Dit keer werd dat ingevuld door ene DJ Maestro. Zoals bij de oplettende lezertjes al bekend mag worden verondersteld gaan bij de letters DJ mijn nekharen recht overeind staan. Op het beeldscherm verscheen een groepje muzikanten onder wie ik Benjamin Herman herkende met DJ Maestro pontificaal in hun midden achter een tweetal draaitafels. Het groepje begon te spelen en wat verscheen onder in beeld? Een aankondiging van het gespeelde nummer. En welk nummer had de maestro van het onvermogen voor ons uitgezocht om aan te randen? ‘Sookie Sookie' een nummer van Grant Green, wat er onder in beeld uiteraard niet bij stond vermeldt. Achter het Korg keyboard zat een toetsenist die ons tevergeefs de impressie van een echt Hammond orgel opdrong. De camera zoemde in op de handen van de DJ waardoor duidelijk werd dat er inderdaad platen op de draaitafels lagen die met de vingers beroerd werden hetgeen mij beroerd maakte. De via de loudspeakers tot mij komende muziek horende vroeg ik mij af, wat DJ Minkukel in godesnaam aan de muziek toevoegde want ik beluisterde niets anders dan een matige interpretatie van Grant's song. De grootste schok moest echter nog komen. Nadat de heiligschennis gepleegd was kondigde Frits Barend ‘deze fantastische groep' af met de woorden: ‘....en DJ Maestro heeft pas een contract afgesloten met Blue Note Records het beroemde jazz-label'. Mijn mond viel open en totaal verbijsterd staarde ik naar het scherm. Na de Franse naaldkunstenaar St. Germain was nu ook een Nederlandse Ida de Leeuw van Rees binnen gehaald bij het ooit zo roemrijke label. How low can you go. Om de slechte smaak in mijn oren weg te spoelen heb ik nog maar even ‘Sookie Sookie' uit 1970 met Ronnie Foster op orgel op de draaitafel gelegd. Wat een verademing. Herbert First published 18.01.2003 Natuurlijk heb ik de ballen verstand van Jazz. Natuurlijk heb ik de cd's beluisterd en natuurlijk ben ik een muggenzifter annex mierenneuker. Neemt niet weg dat mij mond open zakte van verbijstering toen ik onder het kopje Jazz van de wekelijkse muziekrubriek in de PS van Het Parool las dat Joni Mitchell met het London Symphony Orchestra onder deze noemer gerangschikt worden evenals Paul Weiling's Global Axis. Het moet toch niet doller worden met de dames en heren recensenten. Vader zal het nog eenmaal uitleggen: Om onder de noemer Jazz gerangschikt te worden moet de muziek aan een voorwaarde voldoen: Het moet swingen. Nu kan je me veel wijsmaken, maar niet, dat het London Symphony Orchestra, Count Basie- of Duke Ellington-achtige big band aspiraties heeft, laat staan swingt. Maak dat de kat wijs, zou mijn recht in de leer zijnde echtgenote zeggen. Joni Mitchell mag zich dan wel omringen met uit de jazz afkomstige muzikanten, dat houdt niet automatisch een promotie tot jazzzangeres in. Maar genoeg gezeverd nu, over tot de echt belangrijke zaken. Zoals het concert dat Joey deFrancesco jr. op 22 januari as. gaat geven in het Bim-huis te Amsterdam. De programmering van deze zwaar gesubsidieerde instelling ontgaat mij ten ene male. Goed, ik vind het geen probleem, dat er ook in de vaderlandse jazz- en geïmproviseerde muziekscene Melkert banen bestaan, muzikanten moeten ook eten tenslotte, maar houd dan als serieus te nemen instelling wel een beetje de hand aan de kwaliteit van het gebodene. Buiten kijf staat dat Joey jr. een orgel kan bespelen. Swingen doet hij ook wel maar op originaliteit heb ik hem nooit kunnen betrappen. Nu zal ik de laatste zijn om te beweren dat het adagium, beter een goede imitatie dan een slecht origineel, geen opgeld doet maar wat Joey jr. in dit kader presteert gaat alle -althans mijn- perken te buiten. Een tijdje geleden ontving ik van een Hammond liefhebber een met tientallen mp3's vol gepleurde cd. Zonder op de inhoud te letten deed ik de cd in mijn computer en luisterde onder het werk zijdelings naar de muziek. Op een gegeven moment viel mij in het nummer ‘Organ Grinders Swing' iets op. Genoemd nummer van de hand van Jimmy Smith heb ik grijs gedraaid, ik kan het wel dromen maar er ontbraken een paar karakteristieke kreunen van de ‘master'. Eerst dacht ik, dat het misschien aan de mp3 kopie lag en dus zette ik het nummer opnieuw op. Maar nee, het gekreun ontbrak terwijl de rest van het nummer precies zo klonk als mijn grijsgedraaide lp. Pas toen nam ik de inhoudsopgave ter hand en tot mijn verontwaardiging las ik dat Joey jr. de verantwoordelijke was. Noot voor noot had deze Smith's nummer nagespeeld, op het gekreun na dan. Bravo, maar niet heus. Knap hoor, maar ik word daar niet echt blij van. Vervolgens ben ik wat beter gaan luisteren naar de overige nummers die van Joey jr. te beluisteren vielen om te constateren dat hij zonder mededogen ook andere nummers van Smith vlekkeloos gekopieerd had. Exit Joey jr. Niet interessant deze copy-cat en derhalve een misser van het Bim-huis. Om de slechte smaak weg te spoelen heb ik nog maar eens het origineel met gekreun gedraaid. Gelukkig hielp dat. Herbert First published 16.11.2002 Dat het niet goed gaat in cd-land mag algemeen bekend worden verondersteld. Dat het verhoudingsgewijs nog minder goed gaat in jazz cd-land zal niet een ieder bekend zijn. Verschillende oorzaken zijn aan te wijzen, het kopiëren en zelf branden van cd's heeft een hoge vlucht genomen, de algemene interesse voor jazz is tanende en de uitbreng van interessant nieuw materiaal blijft grotendeels achterwege. Toch vallen er wel enige kanttekeningen te maken bij deze oorzaken. Zonder meteen de jazz als een afgedane en daardoor onder de historie te rangschikken zaak af te doen kan ik het helaas niet oneens zijn met diegenen die de jazz als zijnde overleden beschouwen. Weliswaar staan er nieuwe generaties muzikanten te trappelen om met jazz de podia te bestormen maar het merendeel van hen houdt zich bezig met reconstrueren van hoe het ooit geklonken moet hebben. Hier doet zich praktisch hetzelfde fenomeen voor als in de klassieke muziek waar ook allerlei groepen actief zijn met het op ‘originele' instrumenten ten gehore brengen van composities uit lang vervlogen tijden. Op zich is daar niets op tegen, alleen helpt het de muziek niet vooruit het bestendigt alleen het historisch perspectief. Dit wordt mede veroorzaakt door het onloochenbare feit van de vergrijzing van de jazzliefhebber. Jongeren zijn dan misschien niet ongenegen naar deze - voor hen - relikwie uit het verleden te luisteren tot aanschaf van een cd zullen ze zelden overgaan. Daarbij komt nog dat bij de oudere jazzliefhebber veelal een voorkeur voor ‘nieuw' uitgebracht oud materiaal bestaat dan voor deze reconstructies. De keuze voor een originele opname van Stanley Turrentine, Art Tatum, Larry Young of Jimmy McGriff zal eerder worden gemaakt dan voor een van de hedendaagse navolgers. Ook speelt dat onbekend onbemind maakt. Hoe moet iemand vandaag de dag in hemelsnaam kennis maken met jazz? Als je niet toevallig opgroeit in een gezin waar een collectie jazz aanwezig is mag die kans uiterst gering worden geacht. Bij de populaire -lees commerciële - media valt nimmer tot praktisch nooit jazz te horen of te zien en zelfs bij de publieke omroepen valt er met een lantaarntje naar te zoeken. Als er dan door de NPS vol bravoure een seizoen met jazz wordt aangekondigd mag er van een unicum worden gesproken als er dan ook inderdaad jazz te zien en te horen valt. Persoonlijk rangschik ik Ike Turner, Mathilde Santing, Bing Crosby en Willem Breuker niet onder de noemer jazz. Het nog onberoerde kinderzieltje wordt op deze manier wel op een definitief dwaalspoor gebracht wat jazz betreft. Trouwens als zelfs in de USA, tenslotte het land van oorsprong, de jazz al een marginaal bestaan leidt, vraag het maar aan musici uit die contreien, wat wil je dan in een buitengewest als Nederland? Alle grote platenmaatschappijen hebben al afgehaakt en de kleinere zijn driftig bezig te volgen mede als gevolg van de grote investeringen die een productie nu eenmaal vergt. Wat overblijft zal het incidenteel uitbrengen van met veel moeite, kosten en pijn tot stand gebrachte eigen producties zijn. Niet een echt hoopvol perspectief. Ach misschien wordt er over vijftig jaar analoog aan het ‘orkest van de 18e eeuw' een ‘jazzkwartet van de 20e eeuw' in het leven geroepen. Kan men lekker gaan bekvechten of er stalen- of darmsnaren moeten worden gebruikt om de bas zo authentiek mogelijk te laten klinken. Herbert First published 21.08.2002 ‘Hoe gaat ie?' ‘Ach gewoon z'n gangetje' ‘Je zal zeker wel veel werk hebben?' ‘Hoe bedoel je?' ‘Nou ik hoor zo veel Hammond-orgel. Op de radio, op cd's en vaak ook op de tv.' ‘En dan denk jij meteen, dat ik veel te doen heb? Nou, nada, niente, niks. Je mag dan misschien veel Hammond geluiden horen maar je hoort en ziet weinig Hammond organisten.' ‘Dat snap ik niet' ‘Die aan een Hammond toegeschreven geluiden die jij hoort, zijn in de meeste gevallen samples, die te kust en te keur door producers gebruikt worden. Daar hoef je geen Hammond organist voor te zijn. Het huren van een echte Hammond voor opnamen, laat staan het inhuren van een Hammond organist is veel te duur voor de meeste producties.' ‘Dus je hebt het niet zo druk?' ‘Nee. Daarbij komt nog dat je steeds meer te maken krijgt met allerlei restricties inzake geluidsoverlast'. ‘Dat het te hard is?' ‘Niet speciaal. Door de veranderde wetgeving heb ik het onlangs meegemaakt, dat ik op een podium waar ik drie jaar geleden nog met mijn orgel actief was, nu alleen nog maar een niet versterkte piano mocht bespelen! De hinderwet vergunning was veranderd. Daarbij komt nog dat veel kleine podia de kosten van een goede geluidsisolatie niet konden of wilden betalen en opgehouden zijn met concerten. Veel andere podia zien meer heil in een avondje een dj plaatjes laten draaien en ga zo maar door.' ‘Maar er zijn zoveel festivals en concerten.' ‘De meeste festivals zijn veredelde braderieën waar een deel van de jeugd er een sport van maakt zich klem te zuipen. Daar wordt geen cultuur gevraagd. Je kan een leeg bierblikje naar je hoofd krijgen als je een verkeerde opmerking maakt.' ‘Is het echt zo erg?' ‘We waren eens op een bekend festival in Amersfoort. Daar stonden we op een pleintje in de muziektent. Behalve dat het verre van aangenaam weer was, hadden een aantal jongetjes bedacht dat het heel leuk moest zijn rondjes op opgevoerde brommers rond de muziektent te draaien. En niemand die ingreep. We zijn zelf maar weggegaan.' ‘Concerten zijn toch niet zo erg?' ‘Maak je geen overdreven voorstelling. Ze vinden vaak plaats in rokerige zaaltjes met een gebrekkig meubilair en in de kleedkamers kan een blind paard nog geen schade aanrichten. Verder zijn concerten vaak gratis of bijna gratis toegankelijk en het publiek komt meestal niet speciaal voor jou. Concentratie en aandacht is dan ook te veel gevraagd en de bar draait op volle toeren. Wat de rust meestal niet ten goede komt.' ‘Je wordt een knorrige cultuurpessimist' ‘Allerminst. Nog steeds vind ik muziek maken het mooiste wat er is. Zo nu en dan treed ik nog op. Alleen moet ik het echt leuk of een uitdaging vinden. Zoals voor de leden van de Hammond club. Vrienden die een orgel hebben staan zien mij graag langskomen en thuis geeft ik ook concertjes. Verder concentreer ik me op het maken van een volgende cd.' ‘Nou ik zie je wel weer.' ‘Ja en de groetjes aan Els.' Herbert First published 24.07.2002 In 1976 schreef ik een stukje muziek, dat in 1978 op de plaat ‘Warm Bad' terecht kwam. Titel van het stuk: ‘Old Swingers Never Die'. Er achteraan hoort eigenlijk te volgen: ‘They Just Fade Away'. (Die titel is gekaapt van het Engelse gezegde waarin de ‘swingers' vervangen zijn door ‘soldiers'. Dit terzijde). Kijkend naar de tv-uitzendingen van het NSJF bekroop mij het gevoel, dat in bovenstaande titel verwoord wordt. Geen jazz meer te bespeuren. Althans niet in de vorm die ik eronder versta en waar musici als Art Blakey, Lee Morgan, Canonball Adderley, Grant Green, Willis Jackson, Archie Shepp maar ook Oscar Peterson, Hank Mobley, Richard ‘Groove' Holmes en nog een aantal grootheden het dampende uithangbord van vormden. Hoe uiteenlopend van stijl genoemden ook waren als gemeenschappelijk kenmerk hadden zij een waanzinnige timing en daardoor onstuitbare swing. Stil blijven zitten was er niet bij. Waarom valt zulke muziek heden ten dag niet meer te beluisteren op evenementen als het NSJF? Goed, ik weet dat genoemden op Shepp en Peterson na, niet meer onder ons zijn. Maar van voorgaande generaties musici zijn de coryfeeën ook niet meer onder ons en toch hebben die vele navolgers gekend. Het antwoord op de vraag is mogelijkerwijs, dat voorgaande generaties niet vanaf de wieg werden blootgesteld aan een geluidsbombardement. Misschien zong moeder af en toe een wiegeliedje en bespeelde pa een instrument. Mogelijk viel er iets over de radio te horen en had men een pick-up met een beperkte keuze aan muziek. Later kreeg je dan geen probleem je te concentreren op de muziek van jouw keuze. De blootstelling aan andere muzieksoorten was minimaal. Je moest moeite doen om muziek te kunnen beluisteren. Vandaag de dag is dat praktisch onmogelijk. Vanaf je eerste levensminuten loop je al het risico met muziek geconfronteerd te worden. Er is praktisch geen ontkomen meer aan. De tv, radio, cd-speler produceren een constante stroom van muziek. Je kan praktisch geen winkel, café, restaurant of andere publieke gelegenheid meer binnenkomen of je wordt muzikaal onthaalt. Zelfs door de telefoon klinkt muziek als je in de wachtstand gezet wordt. Sta je voor het stoplicht te wachten komt er wel een of andere malloot in een Golfje naast je staan met de volumeknop van zijn 1200 watt installatie op tien. Zijn het geen stuitende jingles, dan is wel andere ethervervuiling die een aanslag op je gehoororganen pleegt. Het gevolg van dit alles is, dat er geen mogelijkheid meer bestaat om een vrijblijvende muzikale keuze te maken. De beïnvloeding van andere muzieksoorten zal altijd doorklinken. De huidige generaties muzikanten beheersen hun instrument vaak veel beter dan voorgaande generaties. Logisch, dat kun je gewoon leren en als je maar fanatiek genoeg bent dan kun je heel goed leren spelen. Swing is echter heel iets anders. In de eerste plaats moet je het in je hebben en vervolgens moet je de ‘feel' veroveren. Daar zullen de huidige en toekomstige generaties musici geen kans meer voor krijgen. In het beste geval zullen zij vervallen tot een bloedeloos naspelen van wat al geweest is. Dat kunnen ze dan echter wel tien maal sneller en desnoods achterstevoren. Herbert First published 5.06.2002 Het antwoord op een dergelijke vraag is niet simpelweg te geven dacht ik, want waar slaat het op. Tot ik onlangs ergens iets las wat mij aan het denken zette en het antwoord op de eerder gestelde vraag veel eenvoudiger maakte. Het ging er om dat kinderen met gebruikmaking van een afwasborstel als hulpmiddel hun favoriete (muzikale) idool imiteerden. Gezien op de tv en dan maar gaan nadoen, een praktijk die sinds het begin van de zestiger jaren in zwang moet zijn geraakt. Mijn eigen muzikale speurtocht speelde zich af in de krochten van de radio- en platenburchten. Je zag niets. Er viel alleen wat te horen. Mits niet al te zwakbegaafd, kon je al snel zelf uitmaken wat er muzikaal door de beugel kon en wat niet. Natuurlijk waren er ook schoolvriendjes en buurjongetjes die stiekem naar radio Luxemburg luisterden en je vervolgens trachten over te halen naar hun muzikale voorkeuren maar dat waren uitzonderingen. De jongere van het tv- en media tijdperk is die ontdekkingsreis niet gegund. Die werd en wordt genadeloos geconfronteerd met allerlei voorgekookte muzikale ellende. Vroeger via Top Pop nu via MTV. ZE ZIEN EERDER MUZIEK DAN ZIJ HEM HOREN. De muziek is ondergeschikt aan de presentatie geworden. Vandaar het geïmiteer met die afwasborstel. Mijn makke is dus, dat ik nooit met een afwasborstel voor de tv heb staan hupsen en helaas mijn oren heb leren gebruiken wat voor veel ongenoegen zorg draagt. Je krijgt namelijk steeds meer ongewenste muzikale ellende over je uitgestort. Het heeft geresulteerd in een cultuur waar niet de muzikant maar geluidsdieven de dienst uitmaken. Ook op het komende NSJF valt het echte jazzgehalte weer tegen en rukt het dj geweld verder op. Een echte band, zo lijkt het wel, kan een platendraaier niet ontberen. Dus mogen de kids zich binnenkort verheugen op een optreden van o.a. St. Germain. Niet op het North Sea maar wel pas geleden in een herhaling op de tv te aanschouwen, Jazzonova. Een stelletje minkukels die er trots op waren geen instrument te bespelen maar toch muziek te maken. Van het leegroven van de tweedehands platenbakken hadden zij hun beroep gemaakt. Konden ze weer een sampeltje samenstellen. En ja, ze waren door diverse grote artiesten benaderd om hun nieuwe cd op te leuken. Je zou er haast een cultuurpessimist van worden. Herbert First published 15.02.2002 Een in het huidige tijdsgewricht niet eenvoudig te beantwoorden vraag. Na gebeurtenissen als op de 11de september in de VS is een overtreffende trap moeilijk voorstelbaar. In het kader van mijn schrijfsels in deze column op het internet wil ik het dan ook simpelweg bij schokken op muzikaal gebied houden. Dan kan ik nog wel degelijk geschokt worden zo blijkt. Mijn aandacht werd getrokken door een krantenkop die meldde: "V-Birds zijn niet van vlees en bloed" Natuurlijk oefent voor een jazzliefhebber het woord ‘bird' altijd een aantrekkingskracht uit. Misschien duikt er iets wetenswaardigs over Charlie Parker op, je weet maar nooit tenslotte. Ik begon te lezen: "Ze heten Boom, DJ Wow, D'Lin en Lurp, en het zijn de popsterren van morgen. Vier meiden uit Groot-Brittannië die zich The V-Birds noemen. Alleen bestaan ze niet echt. Dat wil zeggen, ze zijn niet van vlees en bloed, maar ontworpen op de computer." Begrijp ik goed, dat het hier om een virtueel bandje gaat? Animatie nep? Computer shit? Yep. Ze hebben het voor mekaar, ik ben geschokt. De tweede schok volgt na verdere lezing: "De meidenband is het antwoord op de, eveneens virtuele jongensband Gorillaz." Als er dan ook nog te lezen valt, dat critici de ontwerper van deze wanhoop uitlachten maar dat Gorillaz met ‘Clint Eastwood' (zal deze pure jazzliefhebber blij mee zijn!) en ‘Sunshine' een hit hadden en dat van hun debuut cd meer dan een miljoen exemplaren verkocht werden, dan wordt het koud om je hart. De bewering dat de computer een uitvinding van de Satan is kan ik, als enthousiast gebruiker, niet volhouden maar een neiging tot deze veronderstelling begin ik wel te vertonen. How low can you go? Ongehoord laag blijkt maar weer eens te meer. En de jeugdige consumentjes maar juichen bij deze onzin. Je zal maar opgroeien met het idee, dat muziek gemaakt wordt door een stelletje infantiele ‘female robots'. Dat komt natuurlijk nooit meer goed. Wie beschermt onze jeugd tegen deze terreur van de wansmaak? Op de audiovisuele media hoef je in ieder geval niet te rekenen want die huilen om het hardst mee met de virtuele wolven in het virtuele bos. Verloren strijd dus . Een andere verloren strijd wordt door de grote platenmaatschappijen gestreden. Sony moest onlangs een groot deel van zijn Nederlandse productiepersoneel op straat zetten omdat, zo verklaarde Sony tenminste, door het thuisbranden en kopiëren een fors deel van de omzet was weggevallen. Vanuit een betrouwbare bron hoorde ik dat op de onlangs gehouden Midem, de jaarlijkse muziekbeurs in Cannes, 35% minder omzet werd genoteerd. Dit soort berichten stemt niet vrolijk omdat de implicatie is, dat er minder in muziek geïnvesteerd gaat worden en het platenmaatschappijen kopschuw maakt om nieuwe muziek uit te brengen, met alle bijbehorende risico's. In een dergelijke markt is het natuurlijk eenvoudiger om Bloom, Lurp, Dj Wow en D'Lin neer te poten. Ze vreten geen brood en vertonen geen kuren. Dumpen als de handel niet meer marcheert is ook een fluitje van een cent. Gewoon nieuwe virtuele geilneven en nichten ontwerpen en bingo je kan weer even vooruit, want het plaatjes kopende volkje weet inmiddels al niet meer beter. Deze regels nalezende komt het er voor mij op neer, dat ik maar snel de eerste virtuele Hammond organist moet gaan ontwerpen. Uiteraard een vrouwelijke met wulpse, uitdagende vormen die de sterren van de virtuele hemel speelt. Even wat Jimmy Smith geluiden samplen, drumcomputer erbij en het moet lukken. Oh ja en ik laat ‘r ook nog zingen. Wordt nog even dubben van welke zeurzangeres ik de stem zal lenen maar daar kom ik wel uit. ‘Fake Sis' lijkt me wel een goede naam. En zuster wilt u mij nu even het spuugbakje geven. Herbert
First published 16.01.2002 Terugrijdende van een schnabbel had ik de radio aan. ‘Met het oog op morgen' gepresenteerd door Philip Freriks viel te beluisteren. Babbeltje, stukje muziek, babbeltje, stukje muziek, enz. Plotseling wordt mijn oor getroffen door een zangeres die een nummer van Nat King Cole zingt gesteund door een achtergrondkoortje. Het is dit begeleidende vocale groepje dat mijn aandacht trekt, niet de zangeres, al is zij gelukkig niet van het type ‘zeurzangeres'. Wat een stemmen. Benieuwd wacht ik op de afkondiging. "Nellie Nelon met Take Five", hoor ik Philip zeggen. De volgende dag op het internet zoeken naar genoemde Nellie en Take Five. Noppes. Vervolgens de fiets gepakt en op naar Concerto, de vraagbaak in moeilijke kwesties. De eerst aangesprokene wist geen antwoord op mijn prangende vraag maar de volgende opperde dat ik wellicht Nnenna Freelon en Take Six bedoelde. Dat begon er al een beetje meer op te lijken maar een eventuele leverantie van genoemde cd zat er niet in. Kon wel besteld worden. Ik vroeg de verkoper of er misschien iets van Take Six in de sortering zat en daar bleek gelukkig één cd van voorhanden: "Take Six". Opgenomen in maart 1988 en uitgekomen in 1989. Het blijkt een zes-hoofdige Amerikaanse gospel groep te zijn die a capella zingt. Wondermooi, en als mij in mijn jeugd het evangelie op deze manier verkondigd was, dan weet ik nog zo net niet of mijn ongeloof staande was gebleven. Dit terzijde. Het heeft dus ruim twaalf jaar geduurd voordat deze muziek mijn oor bereikte en dan alleen nog dankzij een beetje doorzettingsvermogen. Goede muziek (over smaak valt best te twisten alleen niet met mensen zonder smaak) dient duidelijk over een zeer lange adem te beschikken wil zij uiteindelijk de juiste oren bereiken. En beter wordt het er zeker niet op. Het is een bijkans hopeloze strijd die er geleverd dient te worden met de mongolen die het voor het zeggen hebben op de diverse radiostations om van de tv maar te zwijgen. Gevoed en geïndoctrineerd door een constante stroom van muzikale ellende, groeien er generaties op die geen enkel benul meer hebben van wat muzikale kwaliteit inhoud. Natuurlijk wordt er door de doorzetters gestreden tegen deze muzikale terreur maar ik veroorloof mij te zeggen, dat het een verloren strijd is. In dat kader kan je midden in de nacht programma's als ‘Kunst omdat het moet' van de Tros aanschouwen. Wynton Marsalis die zich groot houdt en komt vertellen, dat de muziek van Duke Ellington nog heel levend is. Nou niet in dit kikkerland in ieder geval. Laatste week nog Duke's muziek op de radio gehoord? Wat ik mij verder afvraag is hoe in dit kader de jaarlijkse aanwas van jazzmusici nog in goede banen geleid kan worden? Elk jaar leveren conservatoria en andere muziekopleidingen een hele schare aan gekwalificeerde musici af. Weliswaar wordt getracht deze stroom in te dammen door de toelatingslat steeds een streepje hoger te leggen maar echt helpen doet het niet. (Een ingewijde wist mij te vertellen, dat het toelatingsexamen van nu praktisch gelijk is aan het eindexamen van zes jaar geleden!) In de concertpraktijk komen deze musici nauwelijks aan de bak. De meesten zijn gedwongen tot les geven of een ander beroep naast hun muzikantenbestaan te zoeken. Slechts een enkeling gaat het lukken een volwaardig loopbaan in de muziek op te bouwen. Je hoeft er het in 1978 verschenen ‘Jazz & Geïmproviseerde Muziek in Nederland' maar voor in te kijken om te weten hoe de vork in de steel zit. Van alle in die tijd actieve muzikanten zijn er maar een paar die er een (behoorlijk) bestaan aan hebben overgehouden, zwaar gesubsidieerd of niet. De rest heeft zich gecorrumpeerd met het spelen van allerlei quatsch. Een min of meer bekende blazer, noemde zich een muzikale hoer. Iedereen die betaalt kan van mijn diensten gebruik maken, merkte hij op. Echt vrolijk word je er dus ook niet van. Nee, ik vrees dat de happy few die van jazz houdt alleen maar kleiner wordt, bedolven onder een lawine van wansmaak. Koester uw platen- en/of cd-verzameling gelijk Rudi Fuchs zijn ‘Who's Affraid etc', want het komt nooit meer weerom. Herbert First published 15.12.2001 Een paar weken terug sprak ik een muzikant die vertelde over een optreden in een gelegenheid waar al minimaal twee decennia ‘live' jazz wordt geprogrammeerd. Zelf heb ik er nooit gespeeld maar ik ben er verscheidene keren binnen geweest. Of de beloning nog steeds dezelfde was, wilde ik weten. Die bleek inderdaad gedurende al die tijd nauwelijks verandering te hebben ondergaan. Het was nog steeds slecht betaalde slavenarbeid waarop inflatie noch flexwet invloed hadden gehad. De betaalde fooien hadden zich aan alle financiële upgrading onttrokken. Waarom deze tent dan nooit problemen had om het podium met musici te bevolken? Simpel, omdat musici nu eenmaal graag willen spelen en desnoods geld meenemen om te kunnen optreden. Van die wetenschap wordt driftig misbruik gemaakt door programmeurs, platenbazen en ander discutabel volk. Veel (jazz)musici voor de keus gesteld spelen of thuiszitten zullen rucktsichloss voor spelen kiezen. Van een andere muzikant vernam ik de gages die worden betaald in een club waar gedurende vijf dagen achter elkaar kan worden opgetreden. Een voor jazz spelend Nederland nauwelijks bekend fenomeen. De programmering kan dan ook tot het jaar 2050 vooruit met boeken. Het bleek dat een musicus hier rond de 300,-- gulden per avond kon vangen. Bruto, als ik het goed heb begrepen, dus ook al niet een echte vetpot. Neerkomend op een schamele 50,-- gulden per uur en dan moet je niet helemaal in Groningen wonen, want met een gemiddelde reistijd van vijf uur uit en thuis zakt je uurloon dan tot onder de drie tientjes. En trachten voor 75,-- gulden per nacht een onderdak in Amsterdam te vinden doet je al snel in een jeugdherberg of budgethotel belanden. Om musici toch een beetje financiële voorspoed te bezorgen is begin jaren zeventig de BIM opgericht. Toch is ook deze club er niet echt in geslaagd om aangesloten musici een acceptabel inkomen te verschaffen. Het heeft doodeenvoudig te maken met het feit, dat er te weinig mogelijkheden zijn om via optredens een bekwaam inkomen bij elkaar te sprokkelen. Het lijkt wel of er een enorm potentieel aan jazzpodia is maar in de praktijk blijkt er maar een twintigtal voor een regelmatige programmering zorg te dragen. Op een enkele uitzondering na (BimHuis, Dizzy, Pompoen e.d.) omvat die programmering ook niet meer dan één tot hooguit vier concerten per maand. Gedeeld op het aanwezige muzikantenpotentieel kom je in het gunstigste geval tot hooguit tien optredens per jaar. Waarbij nog komt dat in de zomermaanden bijna de hele handel plat ligt. Natuurlijk zijn er musici die veel meer optredens weten te versieren maar die spelen dan meestal in een onnoembaar aantal groepen. De ene keer als leider, de andere keer als begeleider. Bijkomend probleem vormt het feit dat de meeste podia gerund worden door goedwillende amateurs die maar al te vaak fervente stokpaardjes berijders blijken te zijn. Zo heb ik meegemaakt, dat ik in een bepaalde club geen poot aan de grond kreeg. Dat ging jaren door tot op een gegeven moment het podium zich wel toegankelijk opstelde. Gevraagd naar deze ommekeer werd duidelijk dat de vorige programmeur orgels haatte. Ik bedoel maar. Een ander euvel schuilt in de discontinuïteit van de programmering bij de Nederlandse podia. Succes wordt niet beloond met een herhaald optreden maar met een ‘schuift u maar weer achteraan aan'. Vervolgens blijkt dat er weer minimaal driehonderd wachtenden voor je zijn. Als je dan na een jaartje weer opbelt met de vraag of er wellicht een optreden in zit, dan blijkt het voltallige bestuur, de programmacommissie of de programmeur opgestapt en kun je aan de nieuwkomers weer van voren af aan beginnen met uit te leggen wie, wat en hoe. Een uiterst frustrerende bezigheid. Muzikanten die in Nederland een bestaan met jazz willen opbouwen zijn gewaarschuwd. Het in een dwangbuis gehuld beklimmen van de noordwand van de Eiger is daarbij vergeleken peanuts. First published 27.11.2001 Wie er nog twijfels over mocht hebben of het Hammond orgel nog een toekomst heeft werd er op de lustrumviering van de Hammond Toonwielorgelvereniging Nederland subiet van verholpen. De belangstelling voor deze dag in het teken van het Hammond geweld was boven modaal. Wat wel opviel was dat orgelen een typisch mannelijke aangelegenheid lijkt. Zo waren alle aanwezige Hammondorganisten van het mannelijk geslacht en was het aantal vrouwelijk ‘angehauchten' gering. Dit is opvallend temeer waar mijn kompaan Paul Weeden mij ooit verzekerde dat vooral de dames door het geluid van de Hammond gegrepen werden. Vooral de lage tonen wilden nog wel eens sensuele gevoelens bij hen opwekken. Ik moet hem op zijn woord geloven want eerlijk gezegd is het mij nooit opgevallen. Mogelijk heeft het te maken met de aard van ons volkje, dat niet snel te betichten zal vallen van opmerkelijk gedrag in deze richting. Als er op een feestje gedanst wordt snap je meteen waarom. Terug naar Hoogland. Optreden voor een publiek dat echt geïnteresseerd is in wat er muzikaal gebeurt vormt voor de musici een spannende aangelegenheid. Je weet dat er niet alleen geluisterd wordt maar ook technisch begrepen waarover het gaat. De geproduceerde klanken worden door de aanwezigen niet louter en alleen als klanken ervaren maar men weet ook hoe de totstandkoming in elkaar zit. Soms neemt men zelfs de muziek op de koop toe omdat men verkikkerd is op het geluid. Bijkomend voordeel is, dat door de interesse voor het instrument mensen soms over een muzikale streep worden getrokken. Van de optredende organisten was op twee uitzonderingen na, de muzikale voedingsbodem in de jazz en blues gelegen. Niet vreemd want de bekendheid van de Hammond is voor een groot deel uit die contreien afkomstig. De twee Jimmy's , Smith en McGriff, vormen duidelijk de voorbeelden waaraan gespiegeld wordt. In mindere mate is dit het geval voor de toehoorders. Een groot deel van hen is toch meer geporteerd voor de theatrale kanten van de Hammond. Hun bewondering voor het instrument is echter dermate groot, dat zij toch de sprong wagen naar het beluisteren van meer extremere klanken. Een lichte vorm van schoktherapie hebben zij er wel voor over. Leuk was het onverwachte optreden van zangeres Denise Jannah met Bert van der Brink op Hammond. Bert, voorzien van een ongenadige dosis muzikaliteit, benadert het orgel vanuit een andere richting. Zijn ‘roots' liggen minder bij de Jimmy's maar meer bij Cor Steyn en de Peddlers zo te horen. Hij gebruikt andere registraties dan de broeders aan de overkant van de grote plas en ook zijn ritmische bespeling getuigt van andere invloeden. Het resultaat is een eigen geluid en dat kan niet genoeg geprezen worden. Nee, ik zie vol verwachting uit naar de volgende lustrumviering. HERBERT First published 24.10.2001 "We hebben er tien jaar over gedaan om erachter te komen wat de oorzaak is van het slechte imago van het orgel en het duurde twee jaar voor we dat eindelijk aan de pers mochten vertellen". Dit zei Yvonne Sprenger van het Promotieteam Orgel en Keyboard, die in het radioprogramma ‘Kopspijkers' de twaalf jaar oude (sic!) Bavaria commercial (met de orgelspelende vrouw in bloemetjesjurk die door haar man letterlijk wordt weggedraaid) verantwoordelijk stelde voor het slechte imago van het orgel. Als ik zoiets lees, dan denk ik meestal waar hebben die mensen het in godsnaam over? Een slecht imago veronderstelt ook de eventuele mogelijkheid van een goed imago. Toch? Nou ik kan de geachte dame van het Promotieteam verzekeren dat aan ‘het orgel' noch een goed noch een slecht imago kleeft. Als er al sprake zou zijn van een imago, dan is het er een van oubolligheid, Cor Steijn, trijpen tapijtjes en ‘motten in een oude jas'. Tien jaar claimt het Promotieteam erover gedaan te hebben om achter deze waarheid te komen. Dat geloven ze hopelijk toch zelf niet, anders zou ik hun opdrachtgever het dringende advies willen verstrekken het Promotieteam met onmiddellijke ingang te ontbinden. Ik vrees dat er met het veronderstelde imago van het orgel iets anders aan de hand is. Niet het orgel heeft een slecht imago maar de bespelers ervan kleeft het een en ander aan. Het orgel heeft in Nederland doodeenvoudig de pech, dat het altijd vereenzelvigd wordt met een bepaalde groep bespelers en ja die behoor(d)en bepaald niet tot het meest vooruitstrevende deel van de natie. Samen met moderne muziek componist Loek Dikker was ik eens uitgenodigd door de heer Witteman, toenmalig directeur van Hammond Nederland -we spreken eind jaren zestig- om op de Firato, de in de Rai gehouden elektronica beurs, een demonstratie Hammond bespelen te geven. Wij kweten ons met verve van deze edele taak met als resultaat dat na afloop een van de verkopers op ons afliep die ons toe siste: "Lulhannesen als jullie dat nog een keertje flikken verkopen wij helemaal geen orgel meer". Exit cultuur. Op zaterdagavond is een typisch voorbeeld te zien hoe er in Nederland tegen het orgel aangekeken wordt. De Vara zendt dan het tv-programma ‘Later wordt het leuk' uit rond de cabaretier Dolf Jansen en toen ik een keertje keek zag ik, verdomd als het niet waar is, zomaar een B3 staan. Tjonge, zoiets wekt verwachtingen. Zenuwenlijer Dolf werkte zijn programma af en plotseling klonken daar de klanken van een Hammond om aan te geven dat een show-item voorbij was. En wat klonk er dan? De meest erbarmelijk Hammond riedel die er in honderd jaar op het instrument gespeeld is. Cor Steijn tot de zevende macht. De man die daar verantwoordelijk voor is, valt duidelijk in de categorie Hammond haters. Zo iemand zou je toch eigenlijk meteen uit zijn lijden moeten verlossen. Wie wel eens de Amerikaanse show van David Letterman heeft gezien weet dat daar ook een B3 door de bandleider wordt gebruikt, die daar beslist geen walgelijke riedels op speelt. Helaas is het in dit zompige polderland anders en te vrezen valt dat het tussen orgel en Nederland nooit meer goed komt. De verhoudingen zijn te zeer getroebleerd om die hoop nog te koesteren. Binnenkort viert de Hammond Toonwielorgelvereniging Nederland haar tien jarig bestaan. Daar zal de fine fleur van het Nederlandse Hammond gebeuren te beluisteren vallen. Het zou niet onaardig zijn om alle voor de muziek verantwoordelijke omroepbonzen daar naar toe te halen om ze eens goed met hedendaagse Hammond geluiden de oren te wassen, zodat ze gelouterd aan het programmeren kunnen slaan. Dat zal wel zacht dromen blijken. Herbert First published 22.9.2001 Roken is een onderwerp, dat de laatste jaren in het middelpunt van de belangstelling is komen te staan. In de VS word je langzamerhand als een paria behandeld mocht je de euvele moed tonen om een pafferik op te steken. ‘Not done' is daar het adagium. Ook in Nederland weet men er langzamerhand goed raad mee. Het opsteken van rookbare waar in openbare ruimten en vervoer - een enkele rookcoupe daargelaten- is ten strengste verboden en strekt niet tot aanbeveling. Het zij zo. Bij het anti-rookbeleid wil ik wel een kleine geniepige kanttekening plaatsen, mij aangereikt door Martin van Amerongen, de meeste bestrijders van het rokertje zowel in nabije als verre verleden hadden een nare dictatoriale achtergrond. Met als ergste exponent van de soort, Alois Schrickelgrüber ook wel bekend als Adolf Hitler. Toch wilde ik het niet over deze vorm van roken hebben al mag ik zelf graag een sigaartje opsteken. Nee, de rook die mij de oren uitkomt is niet die van opgerolde tabaksbladeren maar die van mini Vesuviussen ook wel rookmachines genoemd. Waar er in vroeger jaren wel eens een enkele keer zo'n onding zijn onheil over een podium stond te verspreiden vind je deze mini Etna's nu zelfs op het meest achterlijke podium van Tjietsjerkstradeel. God, wat een ellende. Deze hoestveroorzakers zijn meegezogen in de opkomst van een ander helaas niet meer uit te roeien fenomeen, de PA. Waar in betere tijden zaal versterking alleen nodig was voor podia met de omvang van de Ahoy tooit nu iedere tent waar meer dan tien stoelen staan zich met een dergelijke gehoorpijn-grens-oprekker. Veelal bediend door gehoorgestoorden. In plaats van de aanwezigen hun oren te laten spitsen om van de muziek te genieten worden die nu overspoeld door een baaierd aan audio-geweld waartegen verzet nutteloos is. Vermijden van dit geweld is alleen mogelijk door de persoon achter het mengpaneel in de boeien te slaan en gevankelijk weg te voerenrichting bezemkast. Ook tijdens de onlangs door mij als orgelverhuurder meegemaakte tour van Dr. Lonnie Smith was het weer raak. Op een enkele uitzondering na waren alle podia voorzien van een mini Stromboli en gehoorgestoorde geluidslieden. De Krakatau's deden hun werk en hulden de podia in een dichte ondoordringbare mist waar alleen aan het hoesten van de musici te horen was dat er nog leven op het podium te bespeuren viel. Het geluid was in de meeste gevallen van navenante kwaliteit, oorverdovend en volkomen verkeerd afgesteld. Dit gold ook de monitoren op de podia. Musici worden geacht door de aanwezigheid van deze bovenmaatse luidsprekers elkaar beter te horen. Daarvan is zelden sprake. Het geproduceerde heeft een dergelijk hoog geluidsniveau, dat je gehoor het opgeeft na een tiental minuten vergeefse strijd. Het aantal musici met gehoorproblemen evenals dat van de toehoorders in de zaal, is dan ook sterk groeiend. Waarom het allemaal zo snoeihard moet? Deels is dit te wijten aan het feit dat de mengtafel bedieners niet zijn opgegroeid met akoestische muziek en dus met dynamiek. Op het moment dat een musicus op het podium zachter speelt treedt er bij de schuifregelaars een Pavlov reactie op, de volumeknop gaat verder open. Wordt er harder gespeeld op het podium, dan wordt het zaalvolume niet aangepast en zo ontstaat er na korte tijd een de oren pijn doend lawaai. Vaak vormt het reeds aangetaste gehoor van de geluidstechnicus een bijkomend probleem. Onmachtig om nog een duidelijk hoog of laag te onderkennen worden de bassen en het hoog veel te hard versterkt. Resulterend in een dreunend gevoel in de maag en een snerpend gegil in het oor. Te vrezen valt, dat geconstateerde euvels niet meer terug te draaien vallen. Concertbezoekers dienen zich dan ook te wapenen met oordopjes en mondkapje, opdat zij, na constatering dat de Mount Helen weer op uit barsten staat en de geluidstechnicus alleen nog in gebarentaal communiceert, de juiste maatregelen kunnen treffen. Herbert First published 18.8.2001 Zegt mijn vriend Cor: "Weet je wie er als nieuwe Nederlandse jazzzangeres aan het firmament is verschenen?" Dat wist ik natuurlijk niet. Maar ik vreesde het ergste. "Nou vertel het maar", zei ik. "Imca Marina". De schok was groot. Na de profilering als jazzzangeres van Joke Bruys, Mathilde Santing en nog wat van dat kaliber, dacht ik op het ergste voorbereid te zijn. Maar nee. "Dat is een grap", zei ik. Dat moest wel een grap zijn. Dat kon haast niet anders dan een grap zijn. Als dit geen grap was waar moest het dan heen met de wereld. "Nee", zei Cor, "ze treedt op tijdens een jazzfestival en ze heeft altijd al de ambitie gehad jazz te zingen". Ja, die ambitie kun je natuurlijk hebben. Zo heb ik bijvoorbeeld altijd de ambitie gehad om de Tour de France op mijn naam te schrijven. Maar een kwartiertje zitten op het zadel van een echte race-fiets deed mij snel inzien, dat deze ambitie lichtelijk te hoog gegrepen was. Imca Marina en jazz: Two worlds who never will meet. "Weet je wie er nog meer jazz gaat zingen?", zei Cor. Namen gierden door mijn hoofd. Welke onverlaten konden zich nog meer aan Summertime en All of Me vergrijpen. Dat zijn tenslotte de liedjes die elke zichzelf respecterende jazzzangeres gaat zingen na een leven gewijd aan polka's en smartlappen. Katja Schuurman misschien of Anouk, je weet maar nooit tenslotte wie zich geroepen voelt in de voetsporen van Billie Holliday en Sarah Vaughn te treden. "Nee, die niet, het is een man", zei Cor. Een man? Hadden wij dan mannelijke zangers met een hunkering naar jazz? Marco Borsato als jazzzanger? Of hadden Acda en de Munnink het jazzlicht gezien? Gerard Jolink dan? Wellicht had die, met de Achterhoekse blues als fundament, plotseling in een vlaag van verstandsverbijstering, want wat doe je je fans aan, besloten echte muziek te gaan maken. "Allemaal niet", zei Cor, "het is Lee Towers. Die gaat zingen op een jazz festival en hij presenteert zich daar als jazzzanger. Het stond in de krant van Wakker Nederland. Hij treedt daar op samen met Pia Beck en meer van dat fraais". Beweren dat mijn wereld instortte is lichtelijk overdreven maar de neiging om het woord jazz te ontkoppelen van mijn muzikale bezigheden begint aardig de overhand te krijgen. Dit land wordt overspoeld met keurmerken die steeds minder waar voor hun keurmerk bieden. Jazz vormde tot voor kort ook een soort keurmerk. De muzikant die jazz speelde was zich hier terdege van bewust. Wie zich er in Nederland op voorstond jazz te spelen kon zich er van verzekerd weten dat slechts één op de honderd landgenoten interesse voor zijn muziek had. Die één op de honderd (man of vrouw ) was een onverbeterlijke ‘diehard', wier bekentenis van jazz te houden, spot en hoon van de overige negen-en-negentig afriep. Leuk was dat natuurlijk niet, maar zowel musici als luisteraars hadden wel het gevoel met eerlijke muziek bezig te zijn. Met de toetreding van de Imca's, Mathilde's, Joke's en Lee's tot het jazzgebeuren dient er zich een dermate grote verwatering van dit keurmerk aan, dat diegenen die zich tot de echte jazz aangetrokken voelen zich driftig achter het oor beginnen te krabben. Laat ons een nieuw woord voor deze muziek bedenken, opdat het onderscheid met de overige muzikale ellende gehandhaafd blijft. ‘Impro-music' misschien? Mail mij uw reacties. First published 17.7.2001 Naar het North Sea Jazz Festival ben ik niet geweest. Alleen als ik er speel zult u mij op deze alternatieve kermis kunnen verwachten. Dit jaar niet, misschien volgend jaar of nooit meer. Geen probleem. De tv en radio verschaffen een beperkt inzicht in het aanbod van de afgelopen festiviteiten. Te hopen valt, dat het getoonde niet representatief was voor het hele festival. Opvallend in de getoonde beelden waren de overmaat/macht aan zangeressen. Van top zeurzangeres Erykah Badu tot aan het zingende nichtje van Astrud Gilberto (of was het haar dochter in welk geval ik moeder toch zou aanraden haar dochter te wijzen op het bestaan van bh's). Zonder vocalistes geen muziek, zo scheen het. Zeurzangeres Erica Whright zoals ze van oorsprong schijnt te heten, maakte met twee zaken een diepe indruk op mijn tere zieltje. Beiden vielen helaas niet onder de categorie muziek te rangschikken maar daar schijnt het in deze tijden toch steeds minder om te gaan. Ten eerste was daar het onthutsende moment dat de torenhoge lappenmand van haar hoofd verdween en er een gemillimeterde haardos onder bleek te zitten en het tweede schokkende moment viel te beleven toen Erykah in al haar wijsheid bekende naar onze aardkloot gezonden te zijn als EHBO-ster. "Ik ben hier om de wereld te redden", zo viel in een tv-interview uit de mond van deze buitenaardse te vernemen. Je moet maar durven. Zo krijgen dit soort tantes enige bekendheid buiten de schuifdeuren en zo rolt de ene intellectuele volzin na de andere over hun lippen. Oef, ik kreeg het er Spaans benauwd van want je begint je dan zo nietig te voelen. Zo onbeduidend in vergelijk met deze van miljoenen lichtjaren ver naar ons toegezonden diva. Ook bij de immer grijnzende George Duke gaf een zangeres acte de présence. Deze had goed naar Al Jarreau gekeken en geluisterd en vervolgens gedacht ‘die truc ken ik ook'. Het publiek reageerde ook nog begeesterd op haar vocale uithalen. En George maar grijnzen. John Scofield deed het zonder zangeres. Als hij goed om zich heen heeft gekeken, is hij wellicht tot de conclusie gekomen, dat het eigenlijk niet zonder kan. Ik houd mijn hart vast. Scofield kwam er eerlijk voor uit, dat hij op het podium eigenlijk leiding geeft aan een veredelde jam-sessie. Zo klonk het ook. Maar dan belazer je in ieder geval niet de kluit. Tot besluit een zangeressen mopje: Een jazztrompettist overlijdt en gaat naar de hemel. Daar aangekomen kan hij zijn oren haast niet geloven als hem wordt verteld, dat hij is opgesteld in de ‘All Star Heaven Big Band'. Hij komt naast Satchmo te staan en voor hem ziet hij Miles en Clifford Brown. Hij tikt Satchmo aan: ‘Dit is zo geweldig. Fantastisch.' Satchmo kijkt hem aan en knikt: ‘Yeah man a great band. There is only one problem, God's girlfriend get's to sing'. First published 22.6.2001 Wie nog wel eens de moeite neemt (of nam) om de radio te beluisteren denkend: ‘Misschien pik ik nog wat leuke muziek mee', zal al snel geconstateerd hebben, dat thuiskomen van een koude kermis hierbij vergeleken een veertiendaags vakantietripje naar een zonnig Zuidzee eiland was. Op muziekgebied is het kommer en kwel in radioland. Af en toe valt er een muzikaal aanvaardbaar oprispingetje op Radio 4 te beluisteren maar dat is het dan. De radio, commercieel of niet, zucht onder de terreur van gehoorgestoorden met een slechte smaak. Heeft de ene zeurzangeres haar pleidooi voor een op haar te plegen vrijwillige euthanasie afgesloten dan meldt de volgende zeurzanger zich aan met een identiek pleidooi. Wat een armoe. Maar ja die jengelende kinderen weten niet beter want waar hadden ze moeten luisteren om te horen hoe het wel moet? De televisie? Daar is alleen maar het beeld belangrijk en de inventiviteit van de clipmaker gevolgd door de outfit van de musici dientengevolge van grotere importantie dan de muziek die er voortgebracht wordt. De radio dan? Daar is na het verscheiden van Michiel de Ruyter en het verdwijnen van jazzgerichte programmamakers bij de diverse omroepen, gigantisch de klad in gekomen. Op het onvolprezen ‘Sesjun' en ‘Jazz op vier' na, vallen er geen tekenen van leven meer te bespeuren. Alleen bij het commerciële ‘Businessnieuws radio' vallen na acht uur ‘s avonds gelukkig met grote regelmaat jazz, blues en aanverwanten te beluisteren, overigens zonder onderbreking door commercials. De situatie in jazzland mag dan vrij hopeloos zijn de situatie in popland is nog erger. Niet dat er geen muziek meer gemaakt wordt, voor die constatering daar hoef je de radio maar voor aan te zetten. Kan je meteen de muzikale woestijn ontdekken waarin de pop veranderd is. Deze transformatie tot overmaatse zandbak hebben ook de jongens van de platenlabels vastgesteld, zij zien hun verkoopcijfers dramatisch dalen. Als laatste redmiddel om de verkopen op te vijzelen is nu de jazz uit de kast gehaald en zo kan het gebeuren dat sinds enige jaren een gestaag groeiend aandeel pop op jazzfestivals te beluisteren valt. Zeurzangeres Erykah Badu op North Sea en Elvis Costello op het nieuwe World Port Jazz Festival vormen daar typische voorbeelden van. Geen van beide heb ik ooit één swingende noot horen spelen, een van de eerste vereisten voor jazz. Ter verontschuldiging van deze vervuiling wordt snel het woord ‘fusion' in stelling gebracht. Maar evenmin als de ‘fusion' keuken echt blij makend en tongstrelend uitpakt is dat met de ‘fusion' muziek het geval. Nogmaals: armoe. Is er dan geen oplossing voor het probleem? Natuurlijk is die er, weer alle troep van radio en tv en laat integere musici hun muziek ten gehore brengen. Dit zal wel een brug te ver blijken te zijn maar zo is er misschien een kans dat volgende generaties in ieder geval weer in contact worden gebracht met echte muziek. Want bij de huidige heeft waarschijnlijk allang het idee postgevat, dat muziek gemaakt wordt door dj's achter een batterij knoppen en draaitafels. First published 28.4.2001 ‘Ouderwetse Avant-Garde' Ja, u leest het goed. Zo stond het onder de rubriek ‘jazz' in de Parool agenda van 21 april. Stel je zoekt wat verpozing om de dagelijkse beslommeringen even te vergeten, je kijkt in de agenda om iets van je gading uit te zoeken en dan stuit je op de tekst ‘ouderwetse avant-garde'. Wat moet je je daar nou bij voorstellen? Gaat het hier om een stelletje oude stijl fanaten die de muziek van Bix Beiderbecke weer eens keertje nieuw leven in willen blazen? Genoemde kornettist viel in de twintiger jaren beslist onder het kopje avant-garde dus dat zou kunnen. Of betreft het hier ‘Willem Breuker revisited' en stond de bezoeker een avondje piep-piep-knor te wachten? Mogelijk het laatste, want zodra het woord ‘avant-garde' valt komt Breuker onherroepelijk in het vizier. Niet helemaal terecht naar mijn mening want ik heb bij tijd en wijle niemand zulke ouderwetse muziek horen maken als good old Willem, maar toch. Een benoeming als ‘ouderwetse avant-garde' geeft -waarschijnlijk ongewild- niet alleen haarscherp aan, dat alle vernieuwing niet alleen betrekkelijk is maar ook dat niets zo snel verouderd als een stroming die geen vervolg kent. Want dat is wel duidelijk,‘avant-garde' is zo dood als een pier. Het vinden van musici die zich nu nog met de omschrijving ‘avant-gardist' tooien staat gelijk aan het zoeken van de bekende naald in de hooiberg. ‘Avant-garde' is uit, passé, finito, over. Daar ben ik niet rouwig om. Niet alleen hebben zich hele generaties van de jazz afgekeerd omdat ze deze muziek associeerden met melige, niet swingende muzikale paljasserij maar ook veel muzikanten zagen hun toekomst ruw verstoord door een stelletje belligerente beunhazen. Een van de ‘avant gardisten' die een onuitwisbare indruk op mij heeft achtergelaten was de Amsterdamse pianeur K. Onze muzikale paden kruisten zich begin zeventiger jaren met grote regelmaat. Niet tot wederzijds genoegen, hoewel wij op het persoonlijk vlak best een aardige verstandhouding hadden. Wat K. echter muzikaal te berde bracht vond ik niet te vreten en regelrecht vallen onder de noemer volksverlakkerij. K. had het muzikale tij echter mee en werd in de ‘progressieve' pers de hemel in geschreven. Hij heeft zelfs een Lp gemaakt, welke eer in die jaren beslist niet iedere muzikant te beurt viel. De Leidense jazzclub Hot House had mijn groep begin 1971 uitgenodigd voor een concert. Helaas was de club vijf hoog op een zolder gevestigd en het meeslepen van een Hammond viel dan ook buiten de mogelijkheden. De organisatie vroeg mij of ik dan een ander toetsinstrument mee kon nemen, want men beschikte niet over een piano. Vreemd voor een jazzclub maar kan gebeuren. Enfin ik had nog een loodzware Fender Rhodes met versterker en die werd dus vijf hoog naar boven gesleept. Puffend kwam ik de clubruimte binnen en tot mijn verbijstering keek ik regelrecht naar een prachtige vleugel. Gealarmeerd door mijn scheldkanonnade kwam ijlings iemand van de organisatie toegesneld, die vroeg wat er aan de hand was. Als antwoord op mijn vraag waarom ik met alle geweld een instrument moest meezeulen als er al een nog beter instrument klaarstond werd verontschuldigend de naam van K. genoemd. Op mijn vraag wat die er mee te maken had werd mij verzocht even achter de vleugel plaats te willen nemen en een riedel te spelen. Ik tilde de klep van de vleugel op en sloeg een paar akkoorden aan, althans deed een poging daartoe. Uit de vleugel kwamen geluiden die niet des vleugels waren maar meer aan het in beweging brengen van een verzameling oud ijzer deden denken. Geschokt tilde ik de deksel van de vleugel op. Tussen de gebroken hamertjes krulden de gesneuvelde snaren mij vrolijk tegemoet. Het zeulen met de Fender was duidelijk niet overbodig geweest. De molestatie van het instrument had de voorgaande week plaats gegrepen toen K. achter het klavier had plaats genomen. Hij had de toetsen dermate hardhandig bewerkt -het woord bespelen is in deze context misplaatst- dat het woord lam aan vleugel diende te worden toegevoegd. Dat K. nimmer en nooit meer voor het verrichten van muzikale acrobatiek zou worden ingehuurd door Hot House is haast een overbodige mededeling. Toen K. een paar weken na dit voorval een concert in het theater Klein Bellevue gaf dreigde de daar aanwezige piano een zelfde lot te ondergaan als de Leidse vleugel. Het ingrijpen van een tot het uiterste getergde barkeeper voorkwam dit, de man kwakte simpel de klep van de piano dicht op K's. handen welke handeling met luid applaus werd gehonoreerd door een deel van de aanwezigen. Nee, ‘avant-garde', de Nederlandse variant dan, heeft mij nooit kunnen bekoren, laat staan ‘ouderwetse avant-garde'. First published 4.4.2001 En nou even serieus Er is in Nederland een blad, dat zich met de titel ‘Jazz’ getooid heeft. Wie nu verwacht in dit blad serieuze artikelen over deze muzieksoort aan te treffen zal helaas teleurgesteld worden. Een groot deel van de 148 pagina’s van het laatste nummer is gevuld met advertenties, modereportages, kleurige tekeningen en veel foto’s. Toch schiet er nog wat ruimte voor tekst over en zo kunnen wij kennis maken met het jazzleven in Berlijn een op de oerknal terugblikkende Dianne Reeves en een tegen de verloedering strijdende Oleta Adams. Gelukkig staat er ook een interview in met een echte jazzheld, Jimmy Smith. Ter gelegenheid van het uitkomen van zijn nieuwste cd, ‘dotcom blues’. Wat eerst een verademing lijkt te zijn tussen alle trivia, variërend van het restaurant waar Chet Baker niet gegeten heeft tot aan de oprispingen van een columnist die Chet Baker als inspiratiebron opvoert, blijkt tijdens lezing tot hartgrondig gevloek te leiden. De interviewer heeft zich er met een jantje van leiden van afgemaakt. Dat hij muziek- en mediajournalist is voor NRC Handelsblad doet het ergste vrezen voor het kwaliteit’s imago van onderhavige courant. Het is toch op zijn minst raadzaam je enigszins in het te interviewen slachtoffer te verdiepen. Ook verdient het aanbeveling als deze laatste een muzikant is zijn muzikale oeuvre onder de loep te nemen. In het geval van Jimmy Smith heeft de verslaggever dit niet nodig geacht, zoals blijkt uit het geschrevene. Laten we beginnen bij enige verifieerbare gegevens. "Wie bij internetzoekmachine Altavista de naam Jimmy Smith intikt, krijgt maar liefst 870.342 hits voorgeschoteld", laat de schrijver weten. 11.306 pagina’s is het resultaat dat door mij op deze manier geboekt wordt. En Jimmy Smith de organist moet deze dan nog delen met Jimmy Smith de ‘football player’. "Combineer de naam met het woord ‘organ’ en ruim 350 duizend sites schieten voorbij", vervolgt onze muziekjournalist. Ik kom niet verder dan ruim 100 duizend maar de toon voor het stukje is dan al gezet. Als je een geboortedatum en leeftijd van de geïnterviewde vermeldt dan verdient het aanbeveling even te checken of deze kloppen. Nu, Jimmy Smith is geboren op 8 december 1925 (Encyclopedia of Jazz en Grove Dictionary) en niet in 1928 en zijn leeftijd is derhalve geen 72 maar 75 jaar. Overigens verschijnt ook 8 december 1926 als geboortedatum in een onofficiële site. Misschien voelt Jimmy zich 72 maar dat is niet de maatstaf. Noem je namen van muzikanten en vermeldt je daarbij het door hen bespeelde instrument dan kan het geen kwaad ook dit even na te lopen. Dan zou vermeden zijn dat de kortelings overleden tenorsaxofonist Stanley Turrentine als trombonist geafficheerd wordt. Als interviewer met als specialisatie muziek, moet het toch vragen oproepen als Jimmy Smith hoog opgeeft van zijn pedaalspel en op zijn nieuwste cd een bassist/basgitarist zit mee te dreunen. Dan zou ik toch wel willen weten wat de achterliggende reden vormt. Misschien een ranzige producer die Jimmy onder de aandacht van het met dreunende bassen geïndoctrineerde cd draaiende volkje wil brengen? Laat ik echter niet te veel zout op de slakken leggen. Het interview bracht ook nog een zienswijze van Smith naar voren waarmee ik mij wel kan verenigen. Jimmy vindt muziek een aflopende zaak. Op de radio is alleen maar shit te horen en het publiek laat het ook afweten. In een muzikale wereld waar de toon gezet wordt door dj’s en minkukelige pc bedieners geen bizarre constatering. Wat niet wegneemt dat zichzelf serieus nemende interviewers moeten voorkomen dat ze broddelwerk afleveren anders gaat de teloorgang nog sneller en kunnen ze volgens Jimmy gevoegelijk bij de 'shit' gezet worden. TOP Een ‘behangetje’ uitkiezen met St.Germain Wie nog mocht hebben getwijfeld aan de muzikale kwaliteiten van Ludovic Navarre zullen na een bezoek aan de twee concerten die deze draaitafelvirtuoos gaf in het hoofdstedelijke Paradiso wellicht definitief de oren zijn open gegaan. Zelf heb ik mij deze kwelling op doktersadvies ontzegd maar mijn spion meldde na zes minuten al een hevige nijging tot wegvluchten. Ludovic stond zelf in een duister hoekje achter de opgestelde draaitafels. Zijn inbreng bestond uit het afdraaien van samples en het aan- en afzetten van de mechanische drummer. De meespelende musici, leken spion van het plein voor het Parijse ‘Centre Pompidou’ weg geplukte straatmuzikanten. Het was hem volledig duister waarop de roem van ‘St.Germain’ gegrondvest was. Ook de recensent van Het Parool, Koen Schouten, had weinig compassie met onze Ludovic en hakte hem in een nietsontziende recensie volledig aan mootjes. Dat Ludovic geen muzikant is, zoals hij zelf herhaaldelijk heeft beweerd, vond deze recensent overduidelijk bewezen. Zelfs het opstarten en afbreken van de ‘beats’ lukte niet al te best want onze ‘Tourist’ zat er ritmisch stuitend vaak naast. Koen Schouten eindigde zijn recensie met de conclusie: “Als podiumact toonde St. Germain zich verre van sterk. Echt lekker liep het niet, en echt lekker klonk het niet. Wel kwamen keurig verschillende tinten behang voorbij: funky-behang, dub-behang, latin behang, jazzig-behang. Aardig, maar het blijft behang: alleen leuk on te bestuderen als je flink stoned bent.” Na dit oordeel heb ik nog een tip voor Ludovic. Neem eens contact op met de Gamma of de Praxis. Die hebben een uitgebreide behangafdeling en mogelijk voelen ze wel voor samenwerking. Een behangetje uitkiezen met op de achtergrond muzikaal behang, daar moet toch iets uit te slepen vallen. And now for something completely different Dear Friends; It is with this letter that we, the Fans Of Real Music (FORM), officially denounce and protest the selection of Steely Dan "Two Against Nature" as the Grammy Award's Record Of The Year. We, the loving fans of Eminem, Madonna, Brittany Spears, Coolio, N'sync, Christina Aguilara, The Backstreet Boys, Dr. Dre, Metallica, Limp Biscuit, Snoop Doggy Dog and The Deftones urge you to boycott ALL music that utilizes ANY of the following musical elements: Melody, harmony, phrasing, dynamics, arrangement, good intonation, tonality, modulation, improvisation, real instrumentation, more than two sections and lyrics we don't understand. We also ask you not to listen to any music that DOES NOT contain acceptable subject matter. Acceptable subject matter would include ONLY the following: Death, gang rape, mayhem, gender changing, bigotry, masturbation, public defecation, penile implants, John Rocker, and school bombings. We are profoundly convinced that Mr. Dan is either a communist or an agent of Napster as his covert actions against the Great Recording Industry are obviously an attempt to take food out of the mouths of our country's most loved artists. We urge you to not purchase or see any music that is "jazz based" or has "jazz influence" as it undermines the purpose of music in America. We ask you to write your local representative as Steely Dan's attempts to destroy the Great Recording Industry can not go unnoticed. Now for the good stuff. Please forward this message to 15 of your closest friends and you will receive: A) A $20 gift certificate to Tower Records will pop up on your screen! B) A FREE automatic Napster download of Milli Vannelli singing "My Funny Valentine" C) Advance jpeg files from Hustler's upcoming spread on "The Dixie Chicks" If you'd like more info on our organization, pleas visit our website http://www.FORM.com Please check out our new "Fun for the whole family section"!! Sincerely; Cire Nivlob President and co-founder, Fans Of Great Music First published 26.1.2001 De eerste keer, dat ik de met zijn onafscheidelijke kapiteinspet getooide Brother ontmoette was tijdens de openingsmanifestaties van het nieuwe Utrechtse podium Vreedenburg in 1978. Jack McDuff trad daar aan in goed gezelschap namelijk van Sonny Phillips en Richard 'Groove' Holmes. Met zijn drieën, begeleid door drummer Joe Dukes en een gitarist wiens naam mij ontschoten is, lieten zij horen hoe het klonk als drie Hammond's tegelijk bespeeld werden. Een waar feest. (Overigens waren het Hammond klonen, de nieuwe elektronische B3 variant, maar het klonk best goed). Na afloop had ik een aangename conversatie met de uiterst beminnelijke en bescheiden Sonny Phillips een zeer onderschatte organist en met 'Groove'. De kapiteinspet van Jack McDuff kon ik nergens meer ontwaren. Helaas, want ik had hem gaarne een paar vragen gesteld over zijn samenwerking met saxofonist Willis Jackson. Het Utrechtse festijn vond plaats aan het eind van de zeventiger jaren en de eerstvolgende keer dat ik de inmiddels tot 'Capt’n' gepromoveerde Brother weer zag was in maart 1989. Ik werd opgebeld door een club in Enschede of ik mijn orgel wilde verhuren voor een concert met Jack McDuff. Geen probleem, ik sjorde de C3 uit 1960 met een Leslie 825 vast in m'n Chevyvan en hup daar ging het richting Enschede. In de club aangekomen bleek, dat er eerst een programma diende te worden afgewerkt van een workshoporkest en enige zangeressen voordat er serieuzere zaken aan bod kwamen. Eindelijk was het zover. Ik stelde de C3 en de Leslie op, sloot het zaakje aan en wachtte naast de Leslie gezeten, op de dingen die komen gingen. Jack McDuff was in het gezelschap van gitarist Mark Whitfield, drummer Rudy Pettschauer, saxofonist Andrew Beals en zanger Johnny Lambert die ook de tamboerijn hanteerde. Jack ging op de orgelbank zitten keek naar de drawbar en andere settings (vibrato, percussie), veranderde niets en begon te spelen. En nu komt het: Mijn orgel, met mijn settings klonk totaal anders! Ik werd ter plekke niet goed. De geluiden die de Brother liet horen, waren de geluiden die ik ook wilde horen maar nimmer hoorde. Ik zweer, hij had niets veranderd, speelde zonder pedaal -dat hoefde van hem niet eens gemonteerd te worden- en toch klonk er een totaal ander orgel. Het concert heb ik opgenomen en af en toe draai ik het nog wel eens af. Elke keer ben ik dan weer verbaasd over het geweldige geluid. Natuurlijk heb ik Jack na afloop over deze ervaring verteld. Zijn reactie: 'You know, it's always different but I don't pay any attention to it, otherwise it makes you crazy'. Verder viel er niet veel te bepraten met de Captain want die was alleen nog maar geïnteresseerd in het Nederlandse gedoogbeleid inzake de verkrijgbaarheid van verboden middelen. Beknopte biografie De in 1926 als Eugene McDuffy geboren Jack McDuff startte zijn muzikale carrière als bassist maar schakelde al snel over op piano. Rond 1957 moedigde saxofonist Willis Jackson hem aan het eens op een Hammond te proberen. In 1959 formeerde Jack zijn legendarische groep met gitarist George Benson, saxofonist Red Holloway en drummer Joe Dukes. Deze groep betekende een doorbraak voor Jack Mc Duff die naderhand in 1963 met “Rock Candy” een hit scoorde, die hem definitief op de kaart zette. Tot oktober vorig jaar is Jack blijven toeren. Jack laat zijn vrouw en twee stiefkinderen achter. Beknopte discografie Jack McDuff heeft een oeuvre van ruim 75 lp's en cd's op zijn naam staan 1. TOUGH DUFF 1961 OJC 324 2. HONEYDRIPPER 1961 OJC 222 3. BROTHER JACK MEETS THE BOSS (w/Gene Ammons) 1962 OJC 326 4. SCREAMIN' 1962 Prestige 7259 5. LIVE! 1963 Prestige 7274 aka LIVE AT THE FRONT ROOM 6. SOMETHIN' SLICK 1963 Prestige 7265 7. STEPPIN' OUT 1963 Prestige 7666 8. HOT BARBEQUE 1966 Prestige 7422 9. THE HEATING SYSTEM 1972 Cadet (no catalogue number available) 10. RE-ENTRY 1988 Muse 5361 11. ANOTHER REAL GOOD'UN Muse MCD 5374 12. THE HEATIN' SYSTEM Concord Jazz CCD-4644 13. WRITE ON CAPT'N Concord Jazz CCD-4568 14. COLOR ME BLUE Concord Jazz CCD-4516 En bij de getruffelde lams-niertjes zetten wij Paul Desmond op First published 10.1.2001 In deze smaak gestoorde wereld gaan wij steeds verder met het adviseren. Blijkbaar weet niemand vandaag de dag nog een eigen smaak te ontwikkelen. Op allerlei terreinen dient er voorgelicht over het hoe en wat, waarbij en wanneer. De laatste ontwikkeling op dit gebied kwam ik kortelings tegen in een modieuze ‘glossy’ op het gebied van eten en drinken. Naast de passende wijnkeuze werd eveneens de passende muziek geadviseerd. Blijkbaar is de huidige consument niet alleen incapabel om zelf een wijn bij de maaltijd uit te kiezen maar wordt ook zijn muzikale kennis niet voldoende geacht om de gerechten eer aan te doen. How low can you go? Natuurlijk is de huidige consument zo druk in de weer met het via zijn mobiele en laptop bijeen graaien van de nodige muntjes om de hypotheek te kunnen aflossen, dat het vergaren van de nodige kennis over de aangename zaken des levens er bij inschiet. Er dient dan voorgelicht te worden want tenslotte moet het geld rollen anders stokt de economie. De kwestie is, waar kan je als nieuwkomer de nodige kennis vergaren om zelf tot een afgewogen keuze te komen? Als we ons tot jazz beperken, is dat bepaald niet eenvoudig. Via media als televisie en radio wordt er minimale aandacht aan deze muziek besteedt en in de geschreven media loop je om de haverklap tegen de stokpaardjes van recensenten aan. Woon je in een van de grote steden dan is er nog wel een aantal platenwinkels te vinden die een wat uitgebreider assortiment hebben dan wat de Free Record Shops op het gebied van jazz in de bakken zetten. Buiten de grote steden is er op jazzgebied sprake van een woestijn. Een woestijn zonder zelfs maar de geringste oase. Het probleem schuilt er in, dat jazz commercieel bezien niet interessant genoeg is om er in te investeren. Volgens cijfers van het NVPI (de vereniging van platenhandelaren) is slechts één van de honderd verkochte cd’s een jazz of blues cd. Ja, dan zal je als handelaar wel gek zijn om in jazz cd’s te investeren. Marco Borsato of de zoveelste her-persing van de 28ste van Beethoven levert meer op. De echte fanatici kunnen via het internet soms nog wat vinden maar als niet ingewijde is het zoeken van de gewenste muziek niet altijd even makkelijk. Degene die zich aangetrokken voelt tot deze muziekvorm zal zich moeite, veel moeite moeten getroosten om aan zijn of haar trekken te komen. Dat is jammer want de aanwas van nieuwe jazz geïnteresseerden is broodnodig, de vergrijzing slaat al hard toe. Vreemd genoeg zou eigenlijk van het tegendeel sprake moeten zijn want al jarenlang wordt er door de diverse conservatoria en muziekscholen al gedurende een tweetal decennia een niet aflatende stroom jazzmusici op de vaderlandse podia losgelaten. De weerslag van deze aanwas, zo mag je vermoeden, moet toch terug te vinden zijn in een toenemende belangstelling. Niets is echter minder waar. Hoe de vork nu precies in de steel zit wil ik mij gaarne laten uitleggen maar dat er iets schort aan de popularisering van de jazz in Nederland, zover is wel duidelijk. Schrale troost mag het zijn dat in het er in de USA, tenslotte de bakermat van deze muziek, noch erbarmelijker voorstaat. Buiten enkele grote steden is er al helemaal geen sprake meer van belangstelling en voor een goed belegde jazz-boterham hoef je ook niet naar de overkant van de grote plas af te reizen Tant pis. First published 4.10.2000 In de krant lees ik, dat het roemruchte Blue Note label een contract heeft afgesloten met Ludovic Navarre. Ludovic wie? Zeker een bekende pianist of blazer. Maar nee hoor het is een goochelaar met bit's en bytes. Deze Ludovic, -‘nee noten lezen en akkoorden begrijpen doe ik niet'-, heeft in 1995 een cd afgeleverd op het label Pias (hoe toepasselijk) onder de titel ‘From Detroit to St. Germain'. Een cd, die voor Blue Note de aanleiding vormde tot contractering. Als Blue Note een artiest onder de hoede neemt, ga je er, gezien de jazz faam van het label, automatisch vanuit, dat het iets met jazz te maken heeft. Modern gefriemel met computers natuurlijk, maar toch een link naar jazz. Nou vergeet het maar. M'n achterlijke neefje is weer eens met de computer aan het knoeien geweest en het resultaat is navenant. Alle twaalf tracks van de Pias cd heb ik afgeluisterd en ik moet zeggen: Wat een ellende. Goed, het blijft natuurlijk een kwestie van smaak, dus daar gaan we het verder niet over hebben. De reden dat ik aandacht aan deze Franse Ludovic besteed heeft een andere oorzaak. Ludovic die eerst een carrière in de sport ambieerde, waar door een motorongeluk (met ernstig hersenletsel ten gevolge naar ik aanneem) een einde aan kwam ging zich aanvankelijk bezighouden met House. Naderhand verbreedde hij zijn muzikale spectrum en viel helaas ook de jazz binnen zijn aandachtssfeer. Overigens zou Mr. Navarre graag een echt instrument bespelen. En wat dan wel? Nou je raad het nooit: Hammond B3 orgel. Tsja. Als dertiger is het nu echter te laat om het te leren en heeft hij zich volledig op de computer geworpen. Desalniettemin werkt hij samen met uit de jazz afkomstige musici. Ludovic moet erkennen, dat hij door het ontbreken van een traditionele muzikale achtergrond vaak in de problemen komt als hij hen moet uitleggen wat hij bedoelt, hij denkt niet in akkoorden maar in sferen. Dit muzikale genie weet vervolgens te melden, dat beide partijen ‘niet echt gelijk aan elkaar zijn'. Maar er kan er maar één de baas zijn en dat is onze Franse computerknutselaar. Zo zegt hij: ‘Als ze de studio uit zijn, begint het echt werk pas. Op de computer bewerk ik hun muziek naar eigen goeddunken. Ik vertraag of versnel, ik knip en ik plak, geef er een andere kleur aan.' De lezer begrijpt, hier is een scheppend kunstenaar aan het werk. Een ongehoord staaltje van ongelofelijke eigendunk. Hij zou ontvoerd moeten worden en vervolgens in zijn cel een jaar lang elke dag twintig uur op een portie op vol volume afgedraaide Art Blakey getrakteerd. Zoals na lezing van mijn voorgaande schotschriften bekend mag worden verondersteld heb ik het niet erg op de ergerniswekkende praktijken van dj's en consorten. Mijn bloed gaat helemaal koken als deze muzikale roofridders zich te buiten gaan aan lijkenpikkerij. Bijvoorbeeld door het gebruiken van andermans muziek voor hun eigen discutabele digitale doeleinden. Daar hebben ze een handje van, zoals eerder geconstateerd. Welnu, onze Ludovic draagt ook zijn minkukelig steentje bij. Hij heeft zich vergrepen aan het werk van John Lee Hooker en Miles Davis. Miles Davis is inmiddels niet meer onder ons maar John Lee Hooker is nog niet zo lang geleden in de vaart der volkeren opgestoten en mag zich op zijn oude dag in een redelijke bekendheid wentelen. Het zij hem gegund, want hij heeft er hard genoeg voor moeten werken. Navarre had hem graag in de studio gehad maar John Lee Hooker was door ziekte verhinderd. (Vermoedelijk nadat hij vernomen had, wat de plannen waren). Onze clevere Fransoos is toen maar zonder de lijfelijke medewerking van John Lee aan de slag gegaan, want waarvoor heb je die muzikanten eigenlijk nog nodig? Het meest onbegrijpelijke van al dit soort zaken is de ontstellende minachting die er uit spreekt voor echte muziek. Aangemoedigd door een stelletje gewetenloze scribenten krijgt dit van onder een smerige tegel vandaan gekropen ongedierte de kans om zijn heilloze boodschap te verkondigen. En met succes, moet helaas geconstateerd worden. Komende generaties zullen dus weer minder kennis nemen van goede muziek. Wat een rampenfonds. First published 1.9.2000 Mijn mening over het fenomeen DJ mag langzamerhand bekend worden verondersteld. Op de sociale ladder staan ze ver onder taxichauffeurs en onbezoldigde rijksveldwachters. Niets heb ik op met deze muziek plunderaars. Voorlopig dieptepunt vormde het bericht, dat een tweetal uit de VS overgevlogen plaatjesdraaiers voor een ‘optreden' in het Rotterdamse ‘Nighttown' meer dan 80.000,-- gulden vingen! How low can you go. Bijzonder laag dus. Toppunt van treurigheid vormde de mededeling dat één van deze nitwits het had bestaan om een plaat van wijlen Tito Puente te bewerken. Hij had maar even een vet baslijntje en wat ‘eigen percussie' (sic) aan Puente's muziek toegevoegd. In man's beperkte optiek was het geheel er veel beter van geworden. Nu was het pas echt beluisterbaar. Zoiets noem je nou een gotspe. Een ander bericht, dat muzikanten en organisatoren aan het denken moet zetten viel kort nadien te lezen. In Spaarnwoude werd kortelings het River Valley Dance Event (of zoiets) gehouden. Een al enige jaren in omvang groeiend house en aanverwante stijlen evenement waar in twee dagen zo'n kleine 60.000 danslustige bezoekers op afkwamen. De ‘muziek' werd verzorgd door 120 DJ's. Kijken wij nu even naar het afgelopen North Sea Jazz Festival, dat trok in drie dagen rond de 80.000 bezoekers. Hiervoor waren echter wel een kleine 1200 muzikanten in touw. De toegangsprijzen ontliepen elkaar nauwelijks, alleen de accommodatie van het North Sea is wat geriefelijker maar daar stelt niet iedereen een even hoge prijs op. Uit deze gegevens blijkt dus dat één DJ goed is voor tien musici. Het verwijt dat ik nu ga krijgen is, dat ik appels met peren aan het vergelijken ben maar alla. Voor mij is duidelijk, dat de levende muziek aan de verliezende hand is. Hoe lang gaat het nog duren voordat ook op het North Sea de muzikanten vervangen zijn door kaalhoofdig onbenul achter een draaitafel vergezeld door een VJ die bijbehorende beelden produceert? Kunnen de grote, maar ons helaas ontvallen jazzhelden weer in ‘levende' lijve optreden. De komende generaties weten binnenkort niet beter, dan dat muziek met behulp van een draaitafel en een mafkees met een koptelefoon op gemaakt wordt. De media spelen een niet te verwaarlozen rol in deze ontwikkelingen. Door maar voortdurend te hameren op het feit dat de prestaties van een DJ minstens zo interessant zijn als die van een echte muzikant, heeft bij de jeugd dit waanidee ook langzamerhand postgevat. Tel daar bij op, dat er groot geld mee te verdienen valt en dat de meeste zultkoppen DJ's op eenzelfde lijn stellen met echte muzikanten en het pleit is binnenkort definitief beslecht. Hoe snel en ver deze ontwikkeling gaat mag uit het volgende droevige bericht blijken. Een zangeres van nationale faam nam kort geleden een cd op. Aan de productie werd veel aandacht besteed. Zo werden er ‘echte' strijkers gebruikt en bleef de elektronische trukendoos ook verder gesloten. Het resultaat mocht ronduit fraai worden genoemd en vormde het toonbeeld van een uitgekiende productie. Hier had een ‘criticus' van een groot landelijk dagblad echter geen boodschap aan, de cd werd volledig de grond ingeboord. Deze recenserende minkukel schreef: ‘....het van grote arrogantie te vinden getuigen, dat (naam zangeres) akoestische instrumenten gebruikt heeft in plaats van moderne elektronica'. Bij dit soort uitspraken breekt echt mijn klomp. De neiging om voor de herinvoering van galg en rad maar minimaal de schandpaal te pleiten, moet ik dan hevig onderdrukken. Gaat u maar. First published 1.8.2000 Bariton saxofonist Ronnie Cuber in een recensie van het North Sea Jazz Festival een ‘musicus met het uiterlijk van een pornoregisseur' noemen. Bijna was ik in de pen geklommen om deze recensent van Het Parool (nee, het was niet Jeroen de Valk) van een ongezouten repliek te dienen, toen ik mij bijtijds herinnerde dat het hier om een Nederlandse recensent handelde. Dan is meteen alles duidelijk, die weten niet beter. Hoe kan je zoiets neerpennen zonder dat het schaamrood je meteen naar de kaken stijgt. Zelf heb ik eens een soortgelijke kwalificatie in de schoenen geschoven gekregen. In een recensie had de recensent mij omschreven als ‘een schoonmaker van stoffig meubilair'. De vraag wat een dergelijke omschrijving bijdraagt aan de informatie voor de lezer is natuurlijk snel beantwoordt: Niets. Verhelderend werk het wel. Althans waar het de kwaliteit van het denkraam van de recensent betreft. Ik heb het wel eens meer opgemerkt, dat onder vaderlandse jazz-recensenten de outfit en uiterlijk van de muzikant blijkbaar van groter belang worden geacht dan wat er muzikaal te berde wordt gebracht. Ergernis ‘numero due' Kortelings werd er in de Rotterdamse club ‘Nighttown' een avondje plaatjes draaien georganiseerd. Hiervoor waren twee Amerikaanse deejays aangetrokken. Prima. Wat mij echter het schuim op de lippen bracht, was het bericht dat deze twee voor het draaien van plaatjes meer dan 80.000!!!! gulden toucheerden. Hoeveel gekker kan het nog worden? Dat er abnormale bedragen worden neergeteld om dit soort muzikale parasieten achter een paar draaitafels aan het werk te zetten mag langzamerhand bekend worden verondersteld. Financieel gezien lijkt ‘the sky' de enige ‘limit' te zijn. Een vieze smaak geeft het wel. Er werd niet alleen gepretendeerd financieel boven alle muzikanten verheven te zijn ook muzikaal hadden de heren nog het een en ander te melden. Zo hadden zij de muziek van wijlen Tito Puente bewerkt. Hier en daar wat percussie toegevoegd, de bas wat aangedikt en meer van dat soort zaken. In hun opinie was de muziek behoorlijk opgefrist en er beslist op vooruit gegaan. Zonder te veel te willen chargeren kan ik mij toch niet onttrekken aan de gedachte, dat hier de Mona Lisa van een snor wordt voorzien en gepresenteerd als een nieuw meesterwerk. Het oprukken van het deejay gebeuren doet mij ernstig vrezen voor de muzikale toekomst. Blijkens de financiële beloning die aan een avondje plaatjes draaien wordt toegekend, een financiële beloning waar de meeste musici alleen maar van kunnen dromen, is kwaliteit niet meer de norm. Kom mij nu niet vertellen, dat die gasten met hun draaitafels ook muzikale inbreng hebben in de hedendaagse muziek, want alles wat ik tot dusverre heb gehoord staat in geen vergelijk met echte instrumenten. De geluiden die ten gehore worden gebracht zijn gebaseerd op jatwerk en ontberen originaliteit. De prestatie van een deejay valt onder dezelfde noemer als de culinaire prestatie van een hamburgerbakker achter de bakplaat bij Mc Donalds, het was niks, het is niks en het zal nooit wat worden. First published 4.7.2000 In Het Parool van vrijdag 30 juni stonden een artikeltje en grafiekje waaraan het wel en wee van de Nederlandse muziekmarkt viel af te lezen. Geen echt opwekkende lectuur. In 1999 werden er 39,5 miljoen geluidsdragers (cd's, lp's, singles en cassettes) verkocht met een totale omzetwaarde van iets meer dan een miljard gulden. Dat was minder dan het jaar ervoor maar hoeveel minder valt niet snel te achterhalen. Van die bijna 40 miljoen geluidsdragers is wel een verdeling naar soort muziek bekend. Nog gruwelijker lectuur, want maar liefst 70% van de verkopen betreft Pop en Rock muziek. Klassiek, dank aan ‘t Kruitvat, neemt 8% voor zijn rekening en House/Techno 5%. Country, dank aan Ilse de Lange, R&B/Soul nemen ieder vier procent voor hun rekening. Dan is er nog wat geld besteed aan soundtracks van films (2%), wereldmuziek en folk (2%) en New Age (1%). Het failliet van Oibibio of Oininio of hoe die tent ook heten mocht laat zich gelden. Als hekkensluiter dient zich de jazz aan. Slechts één procent van de geluisdrager kopers heeft zich een al dan niet swingend muziekje aangeschaft. Weliswaar is die ene procent goed voor 395.000 cd's e.d. maar het is niet eens een druppel op een gloeiende plaat. Wat het aandeel van de vaderlandse muzikanten in deze verkopen zal zijn geweest? Ik durf er niet eens naar te raden maar het lijkt mij stug, dat het de tien procent overschreden zal hebben. Anders gezegd, al die Nederlandse groepen met al die Nederlandse cd's zullen er weer niet rijk van zijn geworden. Dat een maatschappij als VIA records failliet is gegaan, mag dan ook geen verwondering wekken. Niet dat ik er een traan om zal laten, daar waren de praktijken van VIA niet fris genoeg voor. Menige muzikant die met deze grootsprekers in zee is gegaan heeft naar alle waarschijnlijkheid nu nog een flinke stapel onverkochte cd's in de gang staan. Ik had er nog nooit van gehoord maar van bevoegde zijde vernam ik, dat VIA er in was geslaagd om kromme (sic!) cd's te produceren en zulke unieke exemplaren werden uiteraard niet teruggenomen. Toch is het niet altijd malheur in de Nederlandse Jazz geluiddragers industrie geweest. Precieze cijfers weet ik niet meer maar halverwege de zeventiger jaren, was de markt ettelijke procenten groter. Van elke honderd verkochte lp's waren er toen ruim vier met Jazz ‘be-perst'. Uiteraard een stevig deel met zogenaamde ‘oude stijl' maar desaltniettemin. Toch moeten er voldoende oren zijn die zich willen lenen tot het beluisteren van Jazz. Probleem is alleen hoe die oren te bereiken. Van de huidige publieke omroepen hoef je geen soelaas te verwachten, die hebben de Jazz totaal verbannen of op het allerlaagste pitje gezet. De ‘commerciëlen' weten niet eens hoe ze het woord moeten spellen, dus die kunnen we helemaal vergeten. Mogelijk biedt het internet hier in de nabije toekomst enige verlichting, maar vooralsnog is dit medium te beperkt om grote groepen te bekeren. Wie weet keert het tij maar tot dat moment zal iedere liefhebber het met zijn eigen collectie geluidsdragers moeten doen. First published 30.4.2000 Halverwege april las ik in de krant: en na een eerder faillissement in 1997, voegde ik er in gedachte aan toe. Ooit hadden wij een cd uitgebracht via Via-Records en dat was niet zo gegaan als wij ons voorgesteld hadden. Er moest zelfs een advocaat aan te pas komen om de firma tot de orde te roepen. Mede hierdoor is ‘Mosquito Night' hard op weg een collectors item te worden. Na alle waarschijnlijkheid zijn er niet meer dan 26 exemplaren in omloop gekomen. Op de rest rust een beslag. Voor mij kwam het eerste faillissement evenmin als het tweede als een verrassing. Het verwonderde mij eigenlijk dat ze het nog zo lang volhielden.Het gezegde luidt: ‘Alle mensen kan je éénmaal beduvelen, sommige mensen altijd maar niet alle mensen altijd'. Via ging voor het eerste deel van het gezegde: ‘Alle mensen éénmaal beduvelen'. Want dat schijnt op redelijk grote schaal te hebben plaats gevonden na wat ik zo van de geluiden om mij heen opving. Via directeur Ben Gieskes noemt het label een van de belangrijkste voor de Nederlandse jazz. Dit lijkt mij schromelijk overdreven. Het was meer een fuik voor musici die met hun product geen poot aan de grond kregen bij de gevestigde label-orde en vervolgens in arren moede bij Via aanklopten. Dan wist directeur Gieskes met een positieve woordkeus de muzikant te overtuigen van de te verwachten gouden toekomst. ‘En tekent u hier maar' mondde vervolgens uit in een rekening van ettelijke duizenden guldens voor het vervaardigen van 1000 cd's. Gaarne binnen één maand te voldoen anders komt de deurwaarder langs. Dat er van de geproduceerde cd's maar hooguit enkele tientallen verkocht werden, mocht de pret niet drukken. Je kon je eigen cd's ook kopen via Via.. Prijskaartjes van 17,50 gld. waren niet ongewoon. In het krantenartikeltje aangaande het faillissement zegt de Via directeur: ‘Als mensen op een gemakkelijker manier, bijvoorbeeld via internet, jazz in huis kunnen halen, dan leg je het af.' Ja, Gieskes, ‘blame it on the internet'. Je legt het af, als je geen goede distributie hebt, rommel verkoopt of niet met iets interessants op de proppen komt. Via, voldeed inderdaad aan deze voorwaarden. Ooit wel een cd van het Via-label tegengekomen bij de plaatselijke platelaar? Nee, dat dacht ik al. Oh ja, erg overtuigend wist Gieskes het publiciteitverhaal te brengen. Advertenties werden er geplaatst, die drommen hijgerige kopers ten gevolge zouden hebben. En een golf aan publiciteit zou de muzikanten hun deel worden. Waar het op neer kwam, was een afdruk van de hoes op postzegelformaat met een nauwelijks leesbare tekst afgedrukt tussen vijftien andere postzegels. Die geweldige advertentie stond dan in dat geweldige blad JazzNu. Na een dergelijk publiciteitsoffensief wordt voorstelbaar dat de cd's niet aan te slepen zijn. De overige publiciteit kwam meestal neer op een cd-recensie in dezelfde JazzNu , voor wat hoort wat tenslotte. Nee, het tweede faillissement van Via zal bij mij niet de waterlanders boven brengen. Wat ik me wel afvraag waar al die duizenden cd's naar toe gaan, van die tientallen Nederlandse muzikanten die in Gieskes zijn fraaie verhalen getrapt zijn. Wellicht naar ‘t Kruitvat of iets dergelijks.Ik zie het al voor me. Tien cd's voor een tientje. Sic transit gloria mundi In mijn vorige column brak ik mijn staf over het geklungel met namen en foto's in het blad 'Jazz Nu'. Mocht ik de illusie hebben gehad, dat een stroom van ingezonden brieven de redactie van dit blad het schaamrood naar de kaken zou hebben gejaagd, waarop een luid 'mea culpa' van de redactionele bureaus zou zijn opgestegen, mooi niets van dit alles. In het januari nummer wordt er lustig verder gestunteld. Zo wordt Freddy Green, de legendarische Count Basie gitarist, konsekwent Freddy Greene genoemd en blijkt saxofonist Teddy Edwards een verjongingskuur te hebben ondergaan. Deze tenor heeft bij Jazz Nu twaalf jaar van zijn leeftijd ingeleverd. Met zo'n bonus in het vooruitzicht moet de abonnementswerving geen probleem opleveren dunkt mij.
Verder schijnt het op de redactie van dit blad de Kosovaarse kant op te gaan, want een deel van de redactie beschuldigd middels een ingezonden brief een ander deel van het minkukelig bedrijven der journalistiek. Misschien is het u ontgaan, mogelijk besteed u er geen aandacht aan, wellicht wenst u er niet mee geconfronteerd te worden maar er bestaat desalniettemin een heus jazzmagazine in Nederland. Deze op fraai papier gedrukte uitgave verschijnt onder de naam Jazz Nu. Al eens eerder heb ik betoogd het kwaliteitsniveau van de landelijke jazz pers -zover daar dan sprake van is - erbarmelijk te vinden. Jazz Nu slaagt er echter met regelmaat in nieuwe dieptepunten te bereiken. Hun laatste wapenfeiten liegen er dan ook niet om. Het verscheiden van jazz grootheid, vibrafonist Milt Jackson is aanleiding tot een kort in memoriam in de november kolommen van Jazz Nu. Daarbij wordt een foto van de ons ontvallene afgedrukt met als onderschrift ‘Milt Jackson'. Nadere beschouwing van deze foto op paspoortformaat doet echter de wenkbrauwen fronsen. Milt Jackson speelde toch geen trompet? Nou ja, je weet maar nooit bij jazzmuzikanten, die zijn vaak noodgedwongen van alle markten thuis. Ook lijkt de afgebeelde niet echt op de Milt Jackson, die ik een paar maal van nabij heb meegemaakt. Even een expert raadplegen. Deze hoeft maar één blik op de foto te werpen om tot de conclusie te komen dat hier niet Milt Jackson is afgebeeld maar de eveneens in het hemelse orkest spelende trompettist Clifford Brown. Slordig. Eveneens slordig is de recensent die de nieuwe Hans Dulfer cd: ‘Papa Has Got A Brand New Sax' in hetzelfde november nummer bespreekt. In de recensie over deze live in Japan opgenomen cd, valt o.a. te lezen dat Hans ook ruimte gunt aan zijn mede-musici. Tot mijn verbazing lees ik, dat tot de uitverkorenen onder die mede-musici aan wie soleer ruimte wordt gegund o.a. Rinus Groeneveld behoort. Rinus Groeneveld? Ik wist niet dat Rinus met Hans mee naar Japan was gevlogen om daar het Dulferiaanse evangelie mee te helpen verspreiden. Navraag bij Rinus leert snel, dat dit ook niet het geval is geweest en dat de betrokken solist hier tenorsaxofonist Boris van der Lek betreft, Hans vaste muzikale maatje. Ja, zo komen de misverstanden in de wereld. Je gaat je natuurlijk wel afvragen in hoeverre de rest van de inhoud correct is. Een vraag die eerder bij mij opkwam toen ik in een nummer van vorig jaar iets las over de vibrafonist Oscar Peterson. Mij bekruipt dan het gevoel dat de redactie van Jazz Nu zijn lezers niet helemaal serieus wenst te nemen. Een gevoel dat ernstig werd versterkt door een over een zevental pagina's uitgesmeerde reportage over ‘De kleren van de ‘Jazzo'. Deze reportage verscheen in het juli/augustus nummer van vorig jaar, maar ik meen daar in het licht van het bovenstaande toch nog de aandacht op te mogen vestigen. Ik heb toen onderstaande, en uiteraard niet geplaatste, brief aan de redactie van Jazz Nu doen toekomen. Redactie Jazz Nu Pb. 28009 3828 ZG HOOGLAND T.a.v. Rubriek Brieven Amsterdam, 1 juli 1998 Geachte redactie, 236 grammen, met de nietjes mee, woog het juli/augustus nummer van Jazz Nu. Een blad van enig gewicht is de dan gewettigde veronderstelling. Lezing van de inhoud doet vermoeden dat er achter de 2 een komma geplaatst dient te worden om het inhoudelijk gewicht van Jazz Nu in cijfers te kunnen weergeven. Het summum van deze gewichtloosheid vormt in dit nummer het godbetert zeven pagina's lange artikel ‘De kleren van de jazzo'. Met dit artikel scoort de redactie ongetwijfeld zeer hoog in de top tien aller tijden van "Lulkoek waar wij niet op zitten te wachten". Het ergerlijkste aan deze redactionele onzin is dan nog het feit, dat hier aan de totaal oninteressante kleding van Rinus Groeneveld aandacht wordt besteed, terwijl de redactie de laatste drie jazz cd's van deze grootse saxofonist onbesproken heeft gelaten. Noch ‘Nothing to be afraid of', noch ‘Watch out for the Jazzpolice' noch ‘Cut the Crap', waarop een meer dan twintig minuten durend duel tussen Benjamin Herman en Rinus te beluisteren valt, werden blijkbaar waardig bevonden voor redactionele aandacht. Nee, in de kolommen van Jazz Nu duik je blijkbaar pas op wanneer je klant bent bij Zeeman of C&A. Bij de eerste de beste gelegenheid, dat ik mij een nieuw pinkelhoutje, borstrok of sokophouders heb aangeschaft zal ik de redactie onverwijld van deze uitbreiding van mijn outfit in kennis stellen. Met het uitkomen van een nieuwe cd zal ik de redactie dan ook niet meer lastig vallen, want inmiddels ben ik er achter waar bij Jazz Nu de echte interesses liggen. Gaat u zich maar kalmpjes zitten schamen. Met vriendelijke groeten, Herbert Noord. Antwoord: Over de ruggen van de musici! Published 22/4/99 Een paar jaar geleden werd er een 'Dag van de Nederlandse Jazz' in Utrecht georganiseerd.
De fine fleur van de Nederlandse Jazz en Geïmproviseerde Muziek is aanwezig, zo ook
enige producenten van geluidsdragers. Een van hen, tikt mij op de schouder: Naschrift Herbert 2: Wij schrijven inmiddels januari
2000 en voor ons -John Engels, Hans Dulfer en ondergetekende- is de nieuwe eeuw goed begonnen.
De rechter heeft een uitspraak gedaan in onze zaak tegen Wim W. en al onze eisen gehonoreerd.
Felicitaties van mede-musici waren ons deel, veelal vergezeld van de opmerking, dat wij er goed
aan hebben gedaan de boosdoener eens aan te pakken. Het gaf ons wel een beetje een Robin Hood gevoel.
Voelt niet slecht trouwens. Robbery all around A couple of years ago when 'House' was on his highest popularity level, I was not quite
interested in what was going on in this subdivision of popular music. However at a certain
moment I was attended to the fact that a lot of samples were used in this kind of sound
production. (I refuse to call it music and probably it is more honest to say that a lot of
samples were robbed). One day someone showed me an LP, as mostly used by Deejays in
those circles. The guy said that he had recognized parts of one of my cd's on the record.
When I heard the recording (or better, when I was exposed to the noise) I could clearly
recognize very short pieces (duration: four or five seconds) of my compositions. Of course
no one had paid any royalties, for using them. Information about this matter learned me
that this kind of 'sound bite' can be used without permission of the composer. So we are
talking legalized robbery. Nice. I won't say that I am pleased with this situation but I have
accepted the fact. That there is something completely wrong in the 'Deejays division' of the music business
never came to my mind. Simply because it's far from my interest and I have nothing to do
with it. Still I had mentioned some changes. It is a fact that in the past years the names of
the Deejays were appearing in bigger letters on the posters for musical events than band
names. It is another fact that bands were more used as a filling in an intermission between
two Deejays. And it is also a fact that musicians were complaining that they were replaced
by Deejays. And the last fact is that I saw bands consisting of one or two Deejays or
Scratcher's complemented with some real musicians. Even in some outskirts of the
Jazz-division the Deejays/Scratcher's popped up like tulips in springtime. And which an
enrichment of the music they brought! Generations of music lovers feared the scratching
and rumbling of their turntables. Nowadays this is a past station. Scratching and rumbles
do set the standard. You wouldn't believe your ears. I fear that this is not the kind of hype that's just passing by because this is finally the kind
of music everyone can make. When you put a record on your turntable, you hear music
made by musicians. Scratch the record and suddenly you are the musician. Isn't that
wonderful? And with the help of the modern techniques and equipment it is possible for
even the biggest brain-damaged ape to make 'music'. Sample a hundred (four or five
seconds)- particles of your favorite music. Mix this in an arbitrary sequence over a beat
produced by an advanced drum-computer and you can name it your own music. The most shocking discovery I did lately was in a conversation with the owner of one of the
most renowned discotheques in Holland. The guy likes jazz ('Sorry, no business', he says)
and has a couple of my Cd's. We discussed the vanishing of live-music in the club circuit. I
mentioned the Deejay business and then he asked me if I knew how much money a top
Deejay, mostly flew in from the States, could earn for a performance that would take only
one hour and thirty minutes? I didn't have the slightest idea but in my vision $ 1.000
seemed already overpaid for what a Deejay is doing. His answer was flabbergasting,
between $10.000, -- and $ 13.000, -- for one hour and a half, without the expenses. These
robbers who are showing off with other peoples feathers are earning more money in half a
day than most musicians in half a year. (For the record: Dutch top Deejays are making
between $2.000, -- and $3.000, -- for the same one hour and a half). Well I learned the lesson quickly and you will probably understand why you won't see me
dragging with my Hammond that often anymore. I have bought a nice attache-case and
filled it with good records of my favorite organ players. When a club asks me for a gig, I
pick up my case, put the records on the turntable scratch them (most of them are already
pre scratched) a little bit and everyone is happy. Most people don't hear the difference and
I don't hurt my back. This column was published December 1998 Generally spoken in art and especially in music Dutch (Jazz-)critics' are not well known for
being the most beloved species of the human race. As a matter of fact they figure at the
social ladder below window cleaners and cabdrivers. First question in a Dutch critic matter is: 'Are Dutch critics' a necessary evil or can they be
avoided?' The right answer is that Dutch critics' are an evil, not necessary and must be
avoided. The best art is made without the help of any critic and so is the best music. Mostly
Dutch music critics' are failed musicians. The amount of third class bass-players among
them is alarming high. In my whole musical career I received good and bad reviews from
Dutch critics' but both had one thing in common. The people who wrote them didn't know
what the heck they were writing about. There are two kinds of Dutch critics'. The first kind are the ones that haven't got a clue
about the thing you are busy with and are not interested either. Except for getting their
piece of journalism ready and take the money. The advantage of a non interested Dutch
critic is that you can tell him everything you want and he will write it down. The deadline
and the money are waiting for him. A nice example of this category is the Dutch critic who
once interviewed me and started with an outstanding thoughtful question: 'Do you like
playing a Hammond organ?' I answered that I liked playing the triangle better but that it
was for my physical condition to drag around an instrument that had three hundred times
more weight. The other kind of interviewers asked me the whole time what my thoughts were about
Jimmy Smith. For instance when I said I was influenced by Charles Mingus he ignored my
remark and asked if I was influenced by Jimmy Smith? Of course, I replied, I am also
influenced by Jimmy Smith, but my main influences are Thelonius Monk and Art Blakey.
But you are also influenced by Jimmy Smith, he insisted, because you play like him. I
replied again that Jimmy was for sure one of my sources but not the most important one
and that comparing Jimmy Smith with me, was comparing a carrot with a bag of potatoes.
The result of this interview was an astonishing headline in the newspaper the next day:
'Herbert Noord says: 'Jimmy Smith is a bag of potatoes'. Lucky for me that Jimmy doesn't
read the 'Dutch Daily Duffer'. Dutch critics today and those from the past must have been born completely deaf. About
one cd's I made with Advanced Warning we received a review in which was written that
the bass was not heard. A really incredible remark for those who have heard our cd's and
have been to a concert of Advanced Warning. Another critic wrote a glorious article about
one of our cd's which was very nice, but I have to admit after reading the article I
wondered what he had written about, because I hadn't recognized neither our music nor the
cd. In a recent conversation I had with the manager of one of Holland's most famous
jazz/funk stars we agreed Dutch critics' to be a bunch of reluctant amateurs. A year ago
Hans Dulfer had even to sue a critic who had written a completely wrong and sickening
article. He won the case. Also sickening was the review a Dutch critic wrote after a concert we did with guitar-player
Paul Weeden. Paul, who is a very friendly and gentlemanlike person, was interviewed in
the brake by a journalist who had an attitude if he was 'The Almighty' himself. Paul stayed
calm and gave all the required information but made the mistake to mention his dear
friendship with Wes Montgomery and himself. After a couple of days a friend send me the
review and I couldn't believe my eyes. The article had everything to do with the friendship
with Wes and nothing with the music Paul played at the concert. As a matter of fact the
critic was so rude to write: "Tell me who your friends are and I will tell you who you are"
and described Paul as a bad friend. Don't be surprised if I tell you that this critic was a
third row guitar-player who could not even properly tune his instrument. Question: Why are critics' hearts so coveted for transplants? Interview with Herbert Noord (Published 28.11.98)
by Robert Ceatree
Was the organ your first love?
Oh boy, do you want to hear the long and complicated story or the short one?
Perhaps we should better begin with the short one.
I started my musical career as a piano player and being neither an Arthur Rubinstein nor an
Erroll Garner most of the piano's I had to play on were mediocre instruments. You could
sometimes literally break your fingers on the keyboard and they were always out of tune. But
nobody cared because most of the time you couldn't hear the piano anyway. The question was
how to solve these problems?
By buying a Hammond?
In my wildest dreams. Those organs were too expensive and how to transport them? Off course
I had seen those Hammonds in the music stores, but they were out of reach. I was waiting for
a cheaper and more transportable solution and suddenly, in the beginning of the sixties, it was
there and even had a name: Philicorda. This was a small, four octaves as I remember it well,
electronic organ developed by Philips. It was very transportable and it had an amplifier with
two speakers and a reverb.
A relief?
Sure. The instrument sounded a little bit like a Hammond and after I started to play the
instrument, a lot of different musicians asked me to join their groups. Even a guy as Willem
Breuker was impressed and somewhere around 1966 we sometimes played together. On the
other hand the instrument had it's limitations and I realized that I finally should have to
choose a real Hammond or to go back to the handicapped pianos.
This choice should have been an easy one?
Musically speaking, yes. I liked the sound of the Hammond, but financially it was a little bit
more difficult but I solved that problem and at the beginning of 1967 I could call myself the
proud owner of a L 100 Hammond organ.
Completely satisfied?
I was in heaven. Every gig was a pleasure. In that time I had a band with Hans Dulfer, who is
a great admirer of the sound of the Hammond and always wanted me to play as he called it,
the 'water-organ-sound'. He meant the full organ sound with vibrato and a tremolo Leslie, as
loud as possible. On the recordings I made with him you can hear that sound.
But the L 100 wasn't the end of the story?
More the beginning, because after a while it occurred to me that the sound I heard on the
recordings of the great American Hammond-players was quite different from my own sound.
When I looked into why there was this difference the answer was that those guys were playing
on the big Hammonds, the B's and C's. To achieve a big one was the next step in my
Hammond career and in 1972 I was able to buy a second-hand A 100. That was it!. The influence
that this instrument had on my way of playing was enormous, it opened a whole new world. I
could now play the bass-line as I wanted to and create my own sound. In the same year I also bought
a Sisme Leslie cabinet that solved all the amplifying problems, because it was so powerful
that you could even fill a big concert hall.
How did you create your own sound?
That was a process that took years and even after twenty-five years of playing I am still busy
with it. I think that it never finishes. The possibilities of the big Hammond are so
overwhelming that you can create a different sound every day. The sound is also dependant on
your mood and the environment in which you are playing. In my opinion it is a never ending story.
In the beginning I made a lot of mistakes. I was fascinated by the sounds I heard on the recordings
which were coming from the other side of the ocean. The sounds that were created by
Jimmy Smith, Don Patterson, Jimmy Mc. Griff, Jack Mc. Duff and my personal favourite Larry Young.
I worked with equalizers, boosters, different reverb's and more electronical shit.
But then I realized that the sound I heard was partly produced by the studio, partly by the organ
they were playing on, and as you probably know every Hammond sounds different, partly
by the organists and partly by a lot of other circumstances. Such as the type of Leslie
cabinet, the fact that the electrical power in the USA is 110 volt, and so on and so on. After
thinking this over, I skipped all the electronics and returned to the basics: The Hammond with
a Leslie. To discover this simple solution, took me about fifteen years.
To illustrate what I mean, I have the following story:
Brother Jack Mc. Duff did an European tour with his band and for the Dutch gig's they rented
one of my organs, the C-3, which is by the way also the organ I mostly tour with. I
installed the C-3 and myself on the stage. Sitting just two meters form Brother Jack, I could
clearly oversee the whole situation, what kind of drawbar-settings he was going to use, the
vibrato and percussion setting and so on. As a matter of fact he used almost the same settings
as I do, also played the base-line with his left hand but the organ sounded completely different.
It was my organ, he did not fool around with it, no secret electronic stuff and still it
sounded completely different. When after the concert I discussed this experience with
Brother Jack, his answer was simply: "When you sit behind the organ and play, you will
always hear it differently than when you are only listening. It is all in your mind."
You did mention that you played the base-line withe your left hand. Do you not use the
pedals?
Correct, I don't use the pedals. In the past with the L -100 and the A -100, I did study the
pedals but it never satisfied me. The real swing wasn't there, but because I thought that the
base-lines were played that way, I continued with my struggle. The reason why was very
simple: When you listen to the recordings you can hear that a base-line is played. Because you
know that there are pedals for the bass, the conclusion is that the bass is played by using the
pedals.
Then came the first time that I could see Jimmy Smith in concert at the Amsterdam
Concertgebouw in 1972. I was sitting on the stage right behind him and could clearly watch
what he was doing. He was playing the base-line with his left hand and supported this base-line
with accents on the pedal. Sometimes he didn't use the pedal at all and sometimes in slow
songs he used only the pedal and played chords with his left hand. But the whole time he was
moving his left-foot, a little bit faking though. I knew enough, removed the pedal from my
organ, I am not the faking type, what you see is what you get, and never used the pedal again.
Playing the bass-line with my left hand fits more in my history, because I did a lot of Boogie
Woogie playing before I started as a Jazz and improvising musician.
I suppose that you are influenced by many organ-players, and do you have special favorites?
Of course am I influenced by many organ-players but my main influences came from piano
and tenor saxophone players as Ben Webster, Coleman Hawkins, Gene Ammons, Willis
Jackson and Archie Shepp. My mother was a classically trained piano player and singer who
also played in the style of Charlie Kunz and Winnifred Attwell. She had also early pre-war
Coleman Hawkins recordings and liked Nat Gonella. That was the main base. Besides that I
listened every morning to the radio, where a certain Dr. Anton v.d. Horst did a few minutes of
piano improvisation in a classical way, he was a big influence on my improvising ability.
Then I had a piano teacher who liked to play the stride-piano and pointed me to Meade Lux
Lewis, Albert Ammons and Willie 'The Lion' Smith. When I was thirteen I bought my first
serious Jazz recording; Out of the Blue from alto- player Sonny Red, with Wynton Kelly on
the piano. Wynton Kelly is one of my all-time favorites as are Bobby Timmons, Thelonious Monk,
Oscar Peterson, Less Mc Cann, a very underestimated Jazzcomposer and Gene Harris,
oh boy can he swing. I am not naming any more names, because there are so many great
musicians who brought me moments of joy. I will make an exception for Charlie Mingus and
Roland Kirk, two of my main influences concerning my activities as a composer.
No organ-players?
I wasn't forgetting them. But I make a distinction between musicians who influenced me
musically and technically. I have a big collection of organ-players, but there are only a few
who are interesting in the way they make music. How experimental they are, that is very
important to me, how far do they dare to go. Well the answer is, only a very few dare to do
something interesting. First there is Jimmy Smith, no doubt. Till the moment he started to do
the big orchestra things for Verve, he was experimenting. Without Jimmy, no Jazz organ.
Besides that, he is a great musician who wrote a lot of wonderful compositions and I think that he is
underestimated as a composer. The second in line, is my personal favourite Larry Young.
Where Jimmy stopped, Larry took up the torch. Larry is not a phenomenal organ player, but he
developed the art of organ playing in a very artistic way. The trio he formed with Grant Green
and Elvin Jones, was the best I ever heard. It is sad that he died so young, but I feel very
indebted to him. I should not forget to mention Eddy Louiss, a very interesting French organ
player.
Now for something completely different, what about the present electronic organs?
I have my thoughts, but I am not going to share them with you and the readers of this article.
A reason why?
Sound is as taste a very personal experience. Personally I don't like the sound of the trombone.
But that doesn't mean that the instrument is wrong. The same with all the electronic
instruments of today. The sound they produce doesn't convince me. I have experimented with
synthesizers, samplers and all kind of modules, you can't name it, but they don't convince my
ears.
You are not going to swap your old and heavy Hammond for something light and modern?
No way, man not me.
|
| Infopage | Songbook for Hammondorgan | News & Reviews | CD's for sale |